Mathijs Schoffeleers

Op 31 augustus 1928 werd Jan Mathijs Schoffeleers geboren in Beek, Zuid-Limburg. In 1942 kwam hij naar het kleinseminarie Ste Marie in Schimmert. Op 8 september 1949 legde hij zijn eerste geloften af in Meerssen. Op 20 maart 1955 werd hij in Oirschot priester gewijd en vertrok als missionaris naar Malawi. In 1963 ging Mathijs antropologie studeren in Kinshasa (Congo) en van 1964 tot 1967 in Oxford (Engeland). Hij promoveerde er op 11 november 1968. Terug in Malawi werd hij leraar aan het seminarie in Nguludi. Na twee jaar werd hij directeur van het Catechetical Training Centre in Likulezi en in 1971 professor aan de universiteit van Zomba. In 1976 werd hij professor aan de VU Amsterdam en van 1989 tot aan zijn pensioen aan de universiteit Utrecht. Zijn laatste actieve jaren besteedde hij aan het schrijven van de geschiedenis van de Nederlandse montfortanen. Januari 2008 verhuisde Mathijs van Leiden naar de communiteit in Vroenhof. Toen hij meer zorg nodig had, werd hij opgenomen in het zorgcentrum en daarna in ‘De Zeven Bronnen’ in Amby, Maastricht, waar hij overleed.

Stamboom van Jan Mathijs Schoffeleers

In het leven van Mathijs is heel wat op een aparte manier gelopen. Het stotterende jongetje groeide uit tot een welbespraakte man. De missionaris uit de broes van Malawi werd professor aan de universiteit. De respectabele wetenschapper kon op zijn oude dag door de ziekte van Alzheimer zijn gedachten niet meer goed ordenen. Op een haast Oxfordse manier werd de jongen uit Geverik in de tweede helft van zijn leven een kamergeleerde, die de spreekwoordelijke verstrooidheid gelukkig binnen de perken wist te houden, niet in het minst dankzij de gewaardeerde hulp en steun van Anja Stoevenbeld.

Mathijs was een antropoloog met een theologische inslag: niet dogmatisch, niet zelotisch, maar ervan overtuigd dat in ons leven veel meer speelt dan wat de nuchtere rationaliteit ons wil doen geloven. Voor hem was het leven een dramatisch lijnenspel, waarvan we niet zomaar het begin en het einde kunnen doorgronden, dat leerde hij van de Afrikaanse cultuur. Nog voordat er sprake was van interculturele en interreligieuze dialogen, keek hij vanuit een positieve instelling naar de niet-christelijke wereld en bepleitte hij de ontmoeting van culturen, zonder dat de een zich superieur moest wanen aan de ander. Hij ontdekte opvallende overeenkomsten tussen Bijbelteksten en tradities uit de Afrikaanse religies. Hij werkte weliswaar niet heel zo lang als missionaris in de broes, maar was ervan overtuigd dat zijn wetenschappelijk onderzoek van fundamenteel belang was voor de incarnatie van het Evangelie in de Afrikaanse cultuur.

Montfortaan

Als montfortaan had hij een grote sympathie voor Montfort. De stichter van de congregatie had in zijn ogen een bijzonder sentiment voor de dramatische aspecten van het bestaan. De religieuze beleving van Math zelf was in de ogen van menigeen nogal traditioneel, maar dat hing samen met zijn opvatting dat het in religie gaat om een beleving die de gewone logica te boven gaat. Hij schaamde zich er dan ook niet voor om in de omgeving van zijn flat in Leiden rond te lopen, terwijl hij de rozenkrans bad. Hij leefde haast vanzelfsprekend in het mysterie, en had te doen met hen die het leven alleen maar nuchter en zakelijk benaderden. In zijn ogen misten zij de volheid van de werkelijkheid. 

Math had iets van een Einzelgänger, maar was in zijn eigen ogen in alles een montfortaan, aan de congregatie verknocht, met haar geschiedenis verbonden. Met trots wees hij op de aanpak van de montfortanen in Malawi: dichtbij de mensen, solidair met de armen. Hij vond het een uitverkiezing in 1999 als afgevaardigde naar het generaal kapittel te gaan; de ontmoeting met confraters uit andere delen van de wereld ervoer hij als een weldadig geschenk. Hoe alle lijnen en verbanden in zijn leven zich precies tot elkaar verhielden, was voor anderen soms een mysterie, maar in zijn eigen ogen hoorde het allemaal bij elkaar. Bij dat alles was hij uitermate gevoelig en kwetsbaar. Een harde bejegening bleef in hem knagen. Een bitse opmerking deed hem lang pijn. Hij kon uitermate blij zijn als hij je ontmoette, om zich even later terug te trekken in zijn eigen werkelijkheid. Daarover schilderde, tekende en dichtte hij liever dan dat hij erover schreef. Desondanks heeft hij als een noeste werker van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat een indrukwekkende lijst boeken en artikelen nagelaten. 

Op een bewonderenswaardige wijze heeft hij zijn ziekte gedragen. De eerste tekenen ervan deden zich al in 2001 voor, zo schreef hij in een vertrouwelijke brief aan de toenmalige provinciaal. Hij wist van de ontluisterende gevolgen van zijn kwaal. Hij droeg dat lot. Soms leek hij er zelfs blij mee, alsof hij er een hogere bedoeling in ontwaarde – een les in nederigheid en eenvoud wellicht. Wat er de laatste tijd in hem is omgegaan, weten we niet. Met Montfort hoopte hij te sterven tussen Jezus en Maria in. Moge hij in hun midden deel hebben aan het eeuwige leven.