HEEMKUNDE BEEK

Zoeken

NLDoet

IMG_3161.jpg

GASTENBOEK

 

     GASTENBOEK

gastenboek.jpg - 14,97 kB

GOLD AWARD

             GOLD AWARD

 Voor-3jaar.jpg - 244,20 kB 

        VOOR 3JAAR NR. 1

       

Bezoekers online

We hebben 6 gasten en geen leden online

WEBSITE 2016

 

 

          WEBSITE 2016

Afscheid Marietje

 

 Marietje.jpg - 94,97 kB

Afscheid Marietje

ANBI

 

anbi.png - 23,05 kB

Bokkenrijders

 

 Bokkenrijder-3.jpg - 30,67 kB

WEBSITE 2015

BECHA

 

 

Jo Hoen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

     

     

         Jo Hoen †

     Oprichter en

       1e voorzitter

 

 

Beek Toen en Nu

Beek Toen en Nu 2

     BEEK TOEN EN NU 2

Beek Uw Gemeente

Sigaren industrie

Marechaussee in Beek

 

 

           FR. Piek

Woonkernen

Bandkeramiek

St.Martinuskerk

Sint Hubertuskerk

Kasteel Genbroek

           Genbroek

Oude Pastorie

 

                KLIK

Sjterfhoes

Herv. Pastorie

Vlag Mijnwerkersbond

 

 

Hubertus Molen

EyeWitness

SICOF

Gedonder in de Hemel

Leenhof Valkenburg

 

      LEENHOF VALKENBURG

Oude Pastorie

 

       Oude Pastorie

Beheerder-Jan Jacobs

            E-mail

   Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Inlogformulier

De Woeste avonturen van de Bokkenrijders 4

 

De woeste avonturen van de Bokkerijders 4

 

De kluis van Schin op Geul, thans een grote toeristische trekpleister, heeft in de tijd van de Bokkerijders ook een grote belangstelling genoten. Deze belangstelling was echter minder van toeristisch dan van heiligschennend karakter. Twee keer hebben de Bokkerijders er een inval gedaan, waarbij beide keren de kluizenaar Arnold Haesen een ‘speciale behandeling’ door de bandieten moest ondergaan. 

De kluis op de Schaelsberg tussen Schin op Geul en Valkenburg is door de Heer van het kasteel Schaloen gebouwd. Hoewel op de kluis het jaartal 1690 staat vermeld, was de kluis toch al op 27 april 1688 bewoond. De eerste kluizenaar of eremiet, die de kluis betrok, was Laurentius Ploem. Vanaf 1 februari 1761 werd de kluis door twee eremieten bewoond. Dat waren Arnoldus Haesen die er 43 jaar lang heeft gewoond en de Duitser Petrus Preckartz. Het samen wonen van beide eremieten heeft slecht drie jaar geduurd, want op 13 maart 1764 stierf Arnold Haesen. 

Rotmeester Antihoon Emands van de wacht in de Heek vertelde op 13 november 1774 op de pijnbank te Valkenburg hoe de eerste diefstal in de kluis was verlopen. Op de avond van de diefstal moest hij bij de glazer Anthoon Bosch thuis komen. Anthoon Emands liet er zich toe overreden en kwam in de avonduren bij de woning van de glazer. Anthoon Bosch lichtte hem in het voorhuis enigszins over de plannen in. Hij vroeg hem of hij zin had om straks met de glazer mee te gaan. ‘want hij wist eenen goeden avantade (voordeel)’. Anthoon Emands antwoordde: ‘Ja, indien het maar iets goeds is’. De glazer maakte er verder weinig woorden over vuil en liet Emands in de waan, dat het inderdaad voor hem voordelig zou zijn. Emands verliet het huis van de glazer weer om er enkele uren later in gezelschap van Nicolaas Sporken en Joannes Smeets, beiden uit Haasdal, en Dirk Debets uit Schimmert terug te keren. Het vijftal vertrok onmiddellijk naar de Schaelsberg. Emands zou toen zelfs nog niet in de gaten gehad hebben, dat de mannen van plan waren te gaan stelen. Pas op de Schaelsberg vóór de kluis kreeg hij, naar zijn zeggen, enig vermoeden over de snode plannen. Hij wilde nog weglopen, maar Janneke Smeets sloeg hem toen met een stok tegen de grond en zei: ‘Ga niet op den loop, anders dan slaan we je kapot’. Uit angst voor dat dreigement bleef Anthoon Emands bij de mannen. Op bevel van de glazer moest hij op de uitkijk gaan staan. Hij zag hoe de andere mannen met een ploegkouter een gat in de wand braken en door dat gat in de kluis verdwenen. Het ploegkouter, dat hierbij gebruikt werd, was door de jood Abraham Nathan uit Beek op het veld van de half win (pachter) van het Heye Höfke gestolen. Een uur hield Anthoon Emands het op zijn eenzame plaats uit. Toen liep hij naar de kluis en zag dat de andere Bokkerijders spek en eieren op het vuur aan het bakken waren. Stomverbaasd sloeg hij dit schouwspel gade. 

Hij kon niet geloven, dat de Bokkerijders hadden ingebroken om er spek en eieren te eten. Maar Anthoon hoefde niet lang over de ware bedoelingen van dit kookuurtje in het ongewisse te blijven. Het was vrijdag en de eremiet Arnold Haesen zou op die vastendag zeker geen spek gaan eten. Om de kluizenaar op die manier te kwellen werd hem de pan eten onder zijn neus geschoven. De eremiet bleef hardnekkig weigeren om er een hap van te doen. Het geduld van de jood Nathan raakte spoedig op. Hij pakte het gebakken spek uit de pan en wreef de eremiet er mee om de mond. 

De andere Bokkerijders waren intussen druk bezig alle bruikbare goederen in pakken te stoppen en na anderhalf uur verlieten ze de kluis, die helemaal leeg geroofd was. Anthoon Emands kreeg als beloning van Abraham Nathan 15 stuyvers. Dat was voldoende voor de justitie om een rechtvaardig oordeel uit te spreken. Anthoon was 65 jaar oud toen hij zijn verklaringen op de pijnbank aflegde. Hij was in Merkelbeek geboren en verdiende zijn brood als dagloner. Op 15 februari 1739 trouwde hij in Hulsberg met Mechtildis Vijghen en ging in de Heek wonen. Hij was een zwager van de Bokkerijder Herman Meuwissen, die te Broekhem in Valkenburg woonde. Hij werd op 14 en 15 november 1774 zo ernstig gemarteld op de pijnbank, dat hij op 29 december aan de opgelopen verwondingen in de gevangenis overleed. Zijn lijk werd op 31 december met een ijzeren ketting aan de galg opgehangen. De chirurg Corrieux van Valkenburg gaf als doodsoorzaak op: ‘Eenen natuurlijke dood gestorven ter oorzake van zijnen ouderdom en zijne afgenomen lichaamskrachten’. 

Bij deze eerste diefstal in de kluis waren veel Bokkerij - ders betrokken. De Bokkerijder Christiaan Ramaekers, alias de knook of knokeman, uit Klimmen verklaarde zich tijdens zijn proces ook schuldig aan de eerste inbraak bij de eremiet Haesen. Op de vraag van de schepenen hoeveel Bokkerijders hierbij aanwezig waren antwoordde hij: ‘Dat mag den duivel weten, daar er zovelen zijn geweest’. De tweede inbraak werd in de nacht van maandag 16 op dinsdag 17 maart 1761 in de Goede Week gepleegd. De eremiet Arnold Haesen had sinds een maand gezelschap gekregen van de Duitse eremiet Peter Preckartz. Dertien jaar later krijgt deze Duitser gelegenheid om voor het gerecht van Schin op Geul de gebeurtenissen in die bewuste nacht te schilderen. Eremiet Arnold Haesen is al ongeveer tien jaar dood. Peter zei, dat hij in het holst van de nacht wakker werd door het tumult, dat er in en om de kluis was ontstaan. Voordat hij goed en wel besefte wat er gebeurde, zag hij dat een aantal Bokkerijders de kluizenaar Arnold Haesen knevelde. Later had hij van Arnold gehoord, dat de bandieten door een raam van de ‘Capelle’ waren binnengedrongen. 

De Bokkerijders probeerden toen ook zijn cel open te breken. Zij schreeuwden, dat hij de deur vrijwillig moest openen. Peter gaf echter geen antwoord. De bandieten forceerden toen het raam van zijn cel en staken er de loop van een geweer doorheen. Broeder Preckartz nam  een stuk hout van de vloer en begon als een wildeman op het geweer te slaan. De bandiet, die de loop door het raam had gestoken, moest het geweer uiteindelijk terugtrekken. Er ontstond een vreselijk tumult. Broeder Preckartz beukte op het geweer en andere Bokkerijders deden verwoede pogingen zijn celdeur in te drukken. De deur bood echter geruime tijd weerstand, waardoor de Duitser tijd kreeg eerst de vervaarlijke loop van het geweer buiten gevecht te stellen en daarna uit alle macht tegen zijn celdeur te duwen. Hij zette zich met zijn rug schrap. Het ging allemaal niet vlug genoeg naar de zin van de bandieten. Het raam was weer vrij en opnieuw deden zij een poging de geweerloop naar binnen te steken. Nu kwam Preckartz te laat, want een kogel floot langs zijn oren. Hij bleef stokstijf tegen de deur staan. Daar kon hij ook niet veel meer uitrichten, want de bandieten bewerkten de celdeur met een bijl, zodat de splinters in het rond vlogen. Een paneel was al verbrijzeld. Naast zijn hoofd zag de eremiet het gat, dat de kogel in de muur geslagen had. Toen gaf hij het op. Hij opende de verwoeste deur. Drie Bokkerijders vielen over hem heen. Hij kreeg een slag op zijn hoofd, terwijl een ander dreigend met de bijl voor hem ging staan. Zijn handen en voeten werden bijeen gebonden. 

De Bokkerijders sleepten hem naar de cel van Arnold Haesen. Intussen probeerden zij hem ervan te overtuigen, dat hem niets was overkomen als hij zich rustig had gehouden en vrijwillig de deur had geopend. Broeder Arnold lag gekneveld in een hoek van zijn woning of heremitage. Hij was bedekt met een wollen deken, zodat hij niets meer kon zien. Preckartz werd tegen Arnold Haesen gegooid. Zijn gezicht werd met een linnen doek bedekt. Hij kon echter nog juist zien hoe drie bandieten 15 eieren in de pan sloegen en er een omelet van bakten. Hij hoorde ook hoe de mannen tegen elkaar zeiden, dat zij olie moesten verhitten om dit hete goedje over Arnold te gooien. Arnold kermde, dat er geen geld in huis was, maar dat boven in de kluis nog enkele offermijten stonden.  

De bandieten maakten daarop de touwen om de benen van beide eremieten los en brachten hen naar boven, waar kluizenaar Arnold de offermijten aanwees. De Bokkerijders gooiden het geld, dat zij daar vonden, in een soort reiszak en gingen weer met beide eremieten naar beneden. De kluizenaars werden tegen de grond gegooid en opnieuw gekneveld. Arnold Haesen had het meest te lijden van de kwellingen van de Bokkerijders. Hij werd geslagen en getrapt, waar zij hem maar raken konden. Ze dreigden hem met de dood als hij ooit iets over deze nachtelijke overval aan de buitenwereld zou vertellen. Waarop Arnold Haesen antwoordde: ‘Rebbe ick dan de andere reyse wat gesegdt’. (Hij doelde op de eerste inbraak, waarover hij ook niets losgelaten heeft). 

Weer volgde hetzelfde ritueel. Alles wat los en vast zat namen de bandieten mee. Toen de Bokkerijders in het nachtelijk donker verdwenen waren, wisten de kluizenaars zich van hun boeien te bevrijden. Zij gingen naar de hoef Euverem om hulp te halen. Een knecht bood aan hen naar de kluis te vergezellen en hen behulpzaam te zijn bij het opsporen van de bandieten. Uit verklaringen, die gerichtsbode Jacob Offerman op de pijnbank in Amstenrade aflegde, kwam de justitie te weten, wie deze knecht was geweest. Jacobus, die heftig ontkende bij de inbraak in de kluis betrokken te zijn geweest, meende dat te kunnen bewijzen door de justitie te vertellen, dat hij eendag na de overval de schaapherder Jacobus Creuwen van de Hoof Overheim ontmoette. Van deze knecht had hij vernomen wat er in de kluis was gebeurd. Creuwen was ook degene, die zijn hulp aan de kluizenaars had aangeboden. Vervelend voor de kluizenaars was het feit, dat de gedienstige knecht, die beweerd had, dat zij geen betere hulp dan de zijne konden verwachten, zelf ook lid van de Bokkerijders was. Hieruit blijkt wel weer, dat in de tijd van de Bokkerijders niemand te vertrouwen was. De leden kwamen uit alle lagen van de bevolking. Uit tal van processen is later gebleken, dat zeker 150 leden van de bende bij de tweede overval betrokken waren. Deze overval werd evenals de eerste geleid door de beruchte bandiet, de glazer Anthoon Bosch uit de Heek. Het is onvoorstelbaar, dat alle 150 man in de kluis zijn geweest, maar de meeste Bokkerijders hebben altijd op ‘schildwacht’ gestaan. Als zij al genegen waren om toe te geven, dat ook zij bij de een of andere gewelddadige overval aanwezig waren, dan hadden zij altijd op ‘schildwacht’ gestaan. Het was soms zo sterk, dat de hele bende op ‘schildwacht’ had gestaan en niemand in de boerderij geweest was om de bewoners te mishandelen. Met de bekentenis van ‘schildwacht’ probeerden zij nog het vege lijf te redden. Voor de justitie was het echter meestal al reden genoeg om het doodvonnis er op te laten volgen.  

illustratie 

De kluis van Schin op Geul is thans een grote toeristische trekpleister.