HEEMKUNDE BEEK

Zoeken

NLDoet

IMG_3160.jpg

Bezoekers online

We hebben 42 gasten en geen leden online

WEBSITE 2016

 

 

          WEBSITE 2016

WEBSITE 2015

BECHA

 

 

Jo Hoen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

     

     

         Jo Hoen †

     Oprichter en

       1e voorzitter

 

 

Beek Toen en Nu

Beek Toen en Nu 2

     BEEK TOEN EN NU 2

Beek Uw Gemeente

Sigaren industrie

Marechaussee in Beek

 

 

           FR. Piek

Woonkernen

Bandkeramiek

St.Martinuskerk

Sint Hubertuskerk

Kasteel Genbroek

           Genbroek

Oude Pastorie

 

                KLIK

Sjterfhoes

Herv. Pastorie

Vlag Mijnwerkersbond

 

 

Hubertus Molen

EyeWitness

SICOF

Gedonder in de Hemel

Leenhof Valkenburg

 

      LEENHOF VALKENBURG

Oude Pastorie

 

       Oude Pastorie

Beheerder-Jan Jacobs

            E-mail

   Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Inlogformulier

Heemkundemuseum2.jpg - 45,66 kB

WERKGROEPEN AAN HET WERK

 

 Gemeentehuis-zw.jpg - 41,55 kB

GEMEENTEHUIS 1887 - 1987

Een leven uitgemeten

 

 Een leven uitgemeten

Beknopte samenvatting van het boek

 

Herinneringen van P.W.H. Paulussen (1854-1932)

 

  WAAR HET ALLEMAAL BEGON

 

Het was op vrijdag den 18 augustus van het jaar 1854, dat ik s'morgens om zes uur te Beek, als een buitengewoon klein kindje werd geboren.

Ik ben me dat niet bewust, ofschoon ik er zelf bij tegenwoordig was, doch Tante Marianne, mijn liefdevolle en zorgzame pleegmoeder, heeft mij menigmaal verteld, dat ik bij mijn geboorte niet langer was dan een lepel . Door de goede zorgen mijner Moeder, groeide ik echter spoedig op tot een stevige knaap, zodat ik op zeven of acht jarige leeftijd reeds groter en zwaarder was, dan een van mijn broers of andere jongens van mijn jaren. Men noemde mij dan ook algemeen "den dikke", welke naam ik bij broers en kennissen tot op latere leeftijd heb behouden.

Het feest mijner geboorte had plaats in een huis achter de kerk gelegen, dat later verbouwd en thans bewoond is door de familie van de oud-Burgemeester van de gemeente Beek, de heer Joseph Lemmens. Het was eenvoudig doch niet praktisch ingericht, zoals onderstaande schetstekening aangeeft.

  

 

Beneden, aan de linkerkant van de gang, waren twee kleine kamers, aan de achterzijde de keuken, waarachter een grote kamer, de zogenaamde gooi kamer, slechts toegankelijk door de keuken. Boven, trouwde de waren er vier kamers, waarvan een boven de poort. het was het ouderlijk huis van mijn moeder Anna Catharina Lemmens, die tweemaal gehuwd is geweest. Haar eerste man was Jan Hendrik Peters, uit welk huwelijk twee meisjes werden geboren, waarvan de jongste Johanna Catharina Cornelia spoedig stierf en de oudste Trineke (Catharina) later huwde met  de zoëven genoemde oud-burgemeester Lemmens.

Nadat Peters, wiens drie zusters resp. gehuwd waren met Eijssen op de Adsteeg, Driksken Haagmans op de Baan en Willemke Kerkhofs te Kelmond, op nog jeugdige leeftijd was overleden, trouwde de nog jonge weduwe op 17 januari 1850 met mijn vader Jan hendrik Paulussen, landmeter, organist, kerkontvanger en assuradeur te Beek.

Ik was d tweede zoon uit dit huwelijk. Mijn oudste broer Hendrik was anderhalf jaar oud toen ik werd geboren en anderhalf jaar na mijn geboorte werd het gezin vermeerderd door de komst van mijn broer Thomas. Wij drieën droegen resp. van mijn vader en zijn twee broers Hubert en Thomas, welke beide laatsten resp. op 13- en 18 jarige leeftijd overleden. Het huwelijk van mijn ouders werd nog gezegend met verschillende andere kinderen. In 1859 kwam een tweeling, waarbij het enige meisje Marietje, dat twee jaar oud is geworden. Al deze nakomende kinderen zijn op jeugdige leeftijd gestorven met uitzondering van onze onvergetelijke broer Jean, die 15 oktober 1861 werd geboren, waarover later.

Mijn vaders vader Willem Paulussen, die op 3 juli 1797 te Thorn het levenslicht aanschouwde, was gehuwd met Maria Catharina Schümmertz, die te Lüttelförst in Pruisen werd geboren en de 7 juni 1839 op 53 jarige leeftijd te Beek overleed.

Mijn grootvader had een broer Thomas en twee zusters, Bet (Elisabeth)  en Gertrudis Elisabeth. Thomas vertrok al vroeg als smidsleerling naar Antwerpen, waar hij zich later in Borgerhout bij Antwerpen als smid vestigde. Hij was gehuwd met Theresia Gevaerts en had verschillende kinderen: Joseph, Jacques, Frans, Mathilde, Mieke en Louise. Deze laatste was gehuwd met Jan Dejong en is kinderloos; de overigen, die met uitzondering van Jacques en Frans thans overleden zijn, laten behalve Jacques, tal van nakomelingen achter.

Zijn zusters Bet, gehuwd met de meester schoenmaker Johannes Jacobus Motké te Thorn werd moeder van een talrijk kroost. De oudste van hun kinderen Peter, hoewel eerst 16 jaar oud zijnde toen zijn vader stierf, heeft het door wilskracht en volharding tot het hoogste staatsambt bij de directe belastingen en accijnsen gebracht. Hij was op ongeveer 40 jarige leeftijd Hoofdinspecteur der directe belastingen aan het departement van Financiën en werd na enige jaren, omstreeks 1869, naar Nederlands-Indië uitgezonden als Inspecteur-Generaal van financiën , waar hij een jaar later te Pekalongan aan koortsen overleed.

HET DORP VAN MIJN JEUGD

 

Wij hadden goede buren. Onze linkerbuurman was Boesch (Bausch), een zeer dikke protestanse boer. wij jongens noemden hem Poep. Hij had drie zonen en twee dochters nl. Jean, Gustaaf, Rudolph, Santje en Antje. Aan onze rechterkant woonde de kleermaker Heuts, een oude, lange, magere man, die ook onze kleren maakte. Kwamen wij bij hem, dan zat hij gewoonlijk met gekruiste benen op een tafel rustig te werken. Onverwachts sprong hij dan van de tafel, liep naar een kast, greep daaruit een boekje en schreef daarin iets op. Op onze vraag waarom hij dat deed, gaf hij ten anrwoord: "betuw neet gewiwkt (gewerkt) , es neet geschweeven ( hij was steeds in oorlog met de R). Naast Heuts woonde Krekels en nog iets verder de suikerbakker Jengske Martens, die ook onze klandizie had, wanneer wij in het bezit waren van een cent. In de toonbank van zijn winkel was een gleuf en als wij babbelaars vroegen, vond hij goed dat wij die cent alvast in de gleuf lieten vallen. Maar het gebeurde ook wel eens, dat we inplaats van een cent een knoop erin lieten glijden, dat waren schadeposten voor Martens, maar Thomas nog te klein om geld te kunnen onderscheiden, had eens op onze keukentafel een rijksdaalder gevonden en die voor een paar babbelaars bij Martens in de gleuf laten glijden, zo kwam alles weer op zijn pootjes terecht

Schuin tegenover ons, aan de andere zijde de beek, huisde Peer Tummers, die er een goed beklante herberg op na hield. Ter gelegenheid van de kermis legde hij een zwikzaal (een planken vloer) met een zeil erboven over de voor zijn deur liggende poel om gelegenheid tot dansen te geven, waarvan ruim gebruik werd gemaakt. Naast Tummers was de opvaart van de Frusch en dan volgde het huis van de schoenmakers Luiten. De derde van deze broers was Hoep van de Luut, die een paar woorden Frans sprak, als gevolg van het eten van veel Franse couranten, zoals zijn broers het uitdrukten. Ging men over de luif bij Luiten, dan kwam men aan een vervallen schuurtje, dat tot woning diende aan Pie Lieben, een oude, doodarme vrouw, die de kerk poetste. Zij was de zuster van de bakker Peer Thijssen en van Peeschkeutele Wing (Winand) . Het dak van haar woning, die uit een vertrek bestond, was voor de helft ingestort, zodat die vrouw als het ware onder den blote hemel moest slapen. Zoals men zei, weigerde zij de hulp van de gemeente om het dak te laten repareren, met als gevolg dat op een goede wintermorgen Pie Lieben doodgevroren in haar bed werd gevonden.

In Beek waren cafés genoeg, ofschoon de meeste dorpelingen boeren waren. Het aantal winkels was beperkt, die van Hennekens in dranken en koloniale waren, die van Penris in stoffen en die van Garé in manufacturen en koloniale waren, waren de voornaamsten.

Zoals ik al vermelde, werd in het jaar 1861 nog een broertje Jean (Jan Lambert Hubert) geboren. Toen deze een jaar oud was, overleed in 1862 plotseling, tengevolge van een miskraam, onze lieve moeder, een toonbeeld van zachtheid, plichtsbetrachting en opgewektheid. Vader bleef nu met zijn vier zonen achter in leed en zorg. Wij kinderen waren nog te jong om dat verlies te beseffen. Gelukkig hadden we nog onze goede tante Marianne, die de zorg voor het huishouden op zich nam, op waardige wijze onze opvoeding voltooide en zo onze pleegmoeder werd. Jean vooral, die zij van zijn prilste jeugd had verzorgd, was haar lieveling, wat hij bleef tot aan zijn dood. Wij groteren gingen toen al naar school en bereikten successievelijk ook de leeftijd om misdienaar te worden. Dit was een grote eer, maar dat ambt was niet altijd benijdenswaardig. Behalve de drie vaste geestelijken was er nog een rustend kapelaan, Dhr. Kerkhoffs, die vroeger als dienstdoend geestelijke te Ulestraten was geweest, doch vanwege zijn geestestoestand was ontslagen en nu te Beek een ambteloos leven leidde. Eerst woonde hij te Kelmond, bij zijn broer Willemke en later op de Adsteeg, in het huisje naast Drik Haagmans. Iedere morgen zeer vroeg, somtijds zelfs om vier uur , las hij de H. Mis en daar wij het meest nabij de de kerk woonden en hij ons huis moest passeren, lag het voor de hand, dat hij een van ons ter assistentie uit het bed kwam halen. Deze opoffering werd dan dikwijls nog beloond met een oorveeg, welke de kapelaan bij de minste onhandigheid onzerzijds gaarne uitdeelde. De overige kerkelijke diensten duurden meestal tot half negen, waarna wij naar school gingen.

VAN SPELEN NAAR LEREN

In de herfst van 1866 had ik met vrucht de school doorlopen en wilde mijn vader mij naar een kostschool zenden en wel te Sint Truien in België . Daar kon ik echter wegens gebrek aan ruimte niet aangenomen worden. Toen zond vader mij naar het Bisschoppelijk College te Roermond, waar ik in het begin van oktober mijn intrek nam en met de wijdse naam van student werd betiteld.

Dat Bisschoppelijk College onder bescherming van Monseigneur Paredis staande, was toen pas in opkomst.

In de vierde klasse van het college kon ik het onderwijs in enige vakken blijkbaar niet meer volgen en moest als gevolg op het einde van het studiejaar doubleren. Dit werkte zeer ontmoedigend en hoewel ik na de grote vakantie weer terging, wilde ik dat na de volgende paasvakantie niet meer, zeggende dat ik de studie moe was.

Ik verliet dus dat college met de paasvakantie van het jaar 1869. Mijn vader had de verklaring dat ik niet meer wenste te studeren nogal kalm opgenomen en zei: "Jongen wie niet leren wil, moet werken". en daartoe werd me de volle gelegenheid, daar vader een terrein met leerlooierij  op de Plats gelegen aan de beek, aan te kopen van Willem Hennekens. Deze had die looierij met aangehoriheden gebouwd en geëxploiteerd doch blijkbaar wegens gebrek aan fondsen de bouw van het daarbij behorende woonhuis moeten opgeven, ja zelfs de gehele zaak moeten verkopen. Wij gingen dus bouwen en daar hendrik, die na mijn vertrek naar de kostschool nog een paar jaar als kwekeling op de Beeker school werkzaam was gebleven, tot het aanleren van het looiersvak naar de heer Neujean te Susteren was vertrokken, moest ik op vijftienjarigen leeftijd de spade en houweel hanteren en hard meewerken aan de opbouw van onze woning. Dit was een harde dobber, maar ik was een stevige knaap, tot werken in staat.  Nadat het huis was voltooid, trok onze familie erin, na vooraf reeds enige tijd in de looierij te hebben gewoond. We stelden de looierij in werking en ik was daarbij in functie als adspirant-leerlooier en bleef daarin werken tot omstreeks mijn eenentwintigste jaar.

EEN NIEUW BEGIN

Zo vloden de tijden langzaam en zorgeloos heen, totdat, toen ik ongeveer 20 jaar werd , de geest zich over mij vaardig maakte. Ik begon te begrijpen dat de verdiensten in onze looierij nooit een bestaan konden opleveren voor twee huishoudens. Toen Henri uit dienst terugkwam en vader, die het zeer druk had met het doen van opmetingen en het maken van akten en delingen daarbij naar hulp verlangde, ging ik menigmaal met hem ten velde en leerde langzamerhand enige praktijk van het landmeten. We deden dikwijls verre tochten naar Elsloo, Stein, Urmond en andere dorpen in de omgeving.

Thomas ging onder de vakantie wiskundige lessen nemen bij de zeer bekwame docent Jan Massink, rijksopzichter bij de waterstaat te Maastricht. Deze besteedde al zijn vrije tijd aan het onderwijzen der jeugd. oen ging er voor mij een licht op en ik vroeg mijn vader eveneens lessen te mogen nemen bij Massink, wat bereidwillig werd toegestaan. Na zes jaren leerlooier te zijn geweest pakte ik op ongeveer 21 jarigen leeftijd de studie weer aan. Hoewel onzeker van mijn toekomst en zonder vooraf beraamd plan, wijdde ik mij met hart en ziel daaraan. De tijden van vrijen, dolce far niente en schupkes bier drinken waren nu voorbij, die van werken bleven gelukkig bestaan. Ik reisde tweemaal per week naar Maastricht, doch moest die reis minstens een maal per week te voet maken, daar ze per spoor 55 cent kostte en ik van mijn vader slechts een gulden zakgeld kreeg. Ik deed dat met genoegen, uit zuinigheid, omdat iedere les reeds een gulden kostte, maar ook om de gezonde wandeling en de frisse lucht, waaraan ik behoefte had. Op de dagen dat ik niet reisde, werkte ik van s'-morgens 7 tot 's-avonds 7 uur. De tijd aan die voetreizen besteed was ook niet verloren, omdat ik onderweg meestal mijn lessen leerde. Ik had nu het schootsveld van de looierij aan de kapstok gehangen en was weer student. Oude boeken haalde ik tevoorschijn, kocht een paar nieuwe en deed het vroeger geleerde nog eens grondig over.

Tijdens een van mijn lessen verscheen eens een jongmens, dat door Massink hartelijk werd gefeliciteerd met gunstige afloop van zijn examen. Als bedeesde jongen durfde ik tijdens dat onderhoud niets te zeggen, doch na zijn vertrek informeerde ik naar dat examen, waarop als antwoord volgde: "Hij is adspirant-landmeter van het kadaster geworden". Dit trof mij, ofschoon ik die betrekking nooit had horen noemen en ik vroeg naar de daarvoor gestelde eisen. Massink zei: " Die jongen is de zoon van de procureur Weijgers alhier, heeft eindexamen H.B.S. afgelegd en daarna heb ik hem nog een jaar les gegeven in wiskunde".

Deze mededelingen beslisten over mijn toekomst.

 Na verloop van een aantal maanden sprak Massink mij eens aldus toe: "Jongen je bent op een leeftijd, waarop men een doel moet hebben en vertel me nu eens, wat zou je willen worden"?. Hoewel huiverig, trok ik de stoute schoenen aan en antwoordde; "Adspirant-landmeter van het kadaster". De kogel was door de kerk, maar het viel niet in goede aarde. Het hoogst verwonderd en ernstig gelaat van Massink voorspelde niet veel goeds. Hij zei: "Je wensen zijn wel wat hoog gesteld, want kijk eens aan. Tot het examen voor adspirant-landmeter wordt niemand toegelaten, die ouder is dan 23 jaren, zodat voor jou nog geen twee jaren meer resten om die leeftijd te bereiken. Verder zijn de eisen voor zulk examen gelijk aan die voor het eindexamen van een H.B.S. met 5 jarige cursus, terwijl voor wiskunde nog veel meer wordt gevergd. Waar een ander 6 jaren over heeft gedaan, zou jij in tw zowelee jaren moeten leren. Daarbij is het examen vergelijkend en bieden zich meestal vijfmaal zoveel kandidaten aan als er plaatsen beschikbaar zijn. Je zal nu wel inzien dat je verlangen tot de onmogelijkheden behoort, maar ik zal je een goede raad geven. In november a.s. worden in België examens afgenomen voor particulier-landmeter; tegen die tijd ken je daarvoor voldoende van wiskunde. Van je vader heb je praktisch meten geleerd en als ik je nog enige lessen geef in waterpassen, dan ben je wellicht bekwaam genoeg om met succes dat examen af te leggen. Laat je nu domiciliëren en geef je tegen die tijd voor dat examen aan". En het geschiede aldus. Ik koos domicilie bij de Kantonrechter te Mechelen aan de Maas en meldde mij te Hasselt aan, waar het examen zowel in het Nederlands als in het Frans werd afgenomen. Op 25 november 1875, behaalde ik aldaar het diploma als landmeter, tot groot genoegen van vader en mij.

Zonder vel drukte, maar met buitengewone volharding, zette ik de verdere studie anderhalf jaar voort, totdat in het begin van mei 1877, Massink me aldus aansprak: "Er komt een mooie betrekking voor jou open, n.l. Inspecteur de buurtwegen te Horst, waarvoor morgen over zes weken examen wordt gehouden op de Provinciale griffie alhier. Je moet daaraan meedoen."Op mijn vraag naar de eisen daarvoor, antwoordde hij: "Van wiskunde ken je genoeg, het leren der Provinciale reglementen en wetten is voor jou een kleinigheid, maar de hoofdzaak is bouwkunde." Ik vertelde dat ik vroeger op het college wel bouwkundig tekenen had geleerd, een plattegrond en opstand van een huis, deuren, ramen, houtverbindingen kon tekenen en trappen kon uitslaan, maar dat ik overigens van bouwkunde niets kende, waarop hij, op stugge Gelderse manier liet volgen: "Dat zal ik je leren, vanaf morgen kom je voor zes weken in Maastricht wonen en dan zal ik je tweemaal daags les geven en wel 's-morgens van 6 tot 8 en 's-avonds van 10 tot 12 uur, daar ik geen andere tijden beschikbaar heb. De volgende dag nam ik mijn intrek bij Klaas Dresen, slager achter het vleeshuis en 's-avonds vingen de lessen aan. Massink leende mij de benodigde boeken en ging een paar namiddagen met mij naar Caberg, waar hij het toezicht had op de aldaar in aanbouw zijnde kerk, om het metselen praktisch te leren.

In juni werd het examen gehouden gedurende drie achtereen volgende dagen. Er hadden zich elf kandidaten aangemeld. De examecommissie bestond uit de Hoofdingenieur van 's-Rijkswaterstaat, de Heer de Kruyff, de ingenieur van dat vak, baron van Capelle en een lid van Gedeputerde Staten, voor het examineren der reglementen en wetten.

De hoofdingenieur, behandelde vooral de onderwerpen wegen-bruggen-en sluizenbouw en vroeg na afloop waar ik zulks zo goed had geleerd. "U is zeker een tijd bij zulke werken geweest?" Op mijn antwoord: "Bij werken ben ik nooit geweest, ik heb het geleerd van de heer Massink en uit boeken". zei hij: "Ik maak U mijn compliment; het is schitterend geweest en ik wilde, dat ik het in mijn tijd zo uit boeken had kunnen leren.

Op de dag van de benoeming voor inspecteur der buurtwegen zaten Jean Vroemen en ik bij Keyzer te borrelen, in afwachting van de terugkomst van Jan Massink, die naar de Provinciale griffie was gegaan om de uitslag te vernemen. Bij zijn arriveren feliciteerde hij Vroemen en voegde daaraan toe: "je bent benoemd met drie tegen twee stemmen, op Paulussen uitgebracht" Ik wenste Vroemen eveneens geluk, maar vond het opvallend dat deze benoeming niet met algemene stemmen had plaatsgehad, wat toch bij een vergelijkend examen betaamde.

Massink gaf daarvan als verklaring dat Baron de Biebersteyn, lid van Gedeputeerde Staten, had betoogd, dat ik nog te jong was voor zulk een zelfstandige betrekking. Dit maakte de zaak niet beter, dan had men mij niet tot het examen mogen toelaten. Hoe het ook zij, ik had spijt van die mislukking, want het was een mooie betrekking, slechts door drie titularissen in Limburg bekleed. Massink was echter tevreden en zei tegen mij: "Je hebt je flink gehouden, niet meer om denken, we hebben nog wat anders te doen.

De volgende dag ging alles weer zijn oude gang, doch 14 dagen later ontving ik door tussenkomst van Massink een uitnodiging om eens bij de Hoofdinspecteur te komen, waaraan ik gaarne voldeed. Bij dit bezoek werd ik verrast met de woorden: "Mijnheer Paulussen, ik hen U laten ontbieden om U persoonlijk te kunnen feliciteren met U prachtig afgelegd examen. Ik mag natuurlijk geen punten noemen, daar de benoeming door Gedeputeerde Staten geschiedde en de examencommissie geen bevoegdheid heeft zich daarin te mengen. Gedeputeerde Staten hebben mij echter gemachtigd, U mede te delen, dat indien binnen de tijd van twee jaren, weer een dergelijke vacature mocht ontstaan, ze U zullen aanstellen zonder examen en tevens U een schriftelijk bewijs te geven van dat schitterend afgelegde examen, niettegenstaande zulks geen gewoonte is bij een vergelijkend examen. Met veel genoegen wil ik U dat uitreiken, het kan U wellicht nog eens van dienst zijn. Trek U deze niet benoeming maar niet te zeer aan, want ik verneem dat U binnen enige tijd gaat dingen naar de betrekking van adspirant-landmeter waar ik het allerbeste van verwacht, waar ik het allerbeste van verwacht. oor U is een betere betrekking weggelegd dan die van Inspecteur de buurtwegen. na de Hoofdingenieur bedankt te hebben voor zijn goede wensen en welwillendheid, ging ik getroost naar huis en na enige dagen ontving ik dat mooie getuigschrift.

In het begin van september werd in Den Haag het examen voor adspirant-landmeter van het kadaster gehouden. Er waren 12 plaatsen beschikbaar terwijl zich 66 kandidaten daarvoor hadden aangemeld.

Veertien dagen na het examen ontving ik van de Minister van Financiën mijn benoeming toe adspirant-landmeter van het kadaster op een toelage van 40 gulden's maandags en bericht, dat ik met ingang 1 november 1877 bij de boekhouding aan de bewaring te Maastricht werd werkzaam gesteld. Ik behoorde dus tot de 12 uitverkorenen. Geen wonder dat het toen feest was bij ons thuis. Vader en tante huilden van blijdschap.

Volgens voorschrift trad ik dan  op 1 november voor het eerst te Maastricht in Rijksdienst.

Met ingang van 1879 werd ik verplaatst naar Eindhoven en werkzaam gesteld voor de velddienst onder leiding van de landmeter A. Borrenbergen, een veteraan evenals van Dijk, de landmeter van de kantoordienst. De landmeter A. van Baarle, de latere ingenieur-verificateur v/h kadaster te Diordrecht, was ook voor de velddienst aldaar werkzaam. Deze heren deden veel particulier werk en verdienden een hoop geld, maar het was ook zo druk, dat ik zelfs op zondagmorgen van 9 tot 12 uur op het kantoor moest komen.

In begin juni van dat jaar las ik toevallig in de courant, dat in augustus examen voor landmeter van het kadaster zou worden gehouden. Ik vertelde dit op kantoor en voegde er aan toe

 , dat ik zin had dat examen mee te maken. Maar jawel daar brak de storm los; men bracht me onder het oog, dat het onmogelijk was dit in zo'n korte diensttijd te doen , al was het slechts wegens gebrek aan voldoende praktische oefening. Het zou tevens onverantwoordelijk zijn zulk een proef te nemen, daar een adspirant slechts tweemaal landmetersexamen mocht afleggen. Enige dagen later, bij zijn komst op het kantoor, werd mijn voornemen in geuren en kleuren verteld aan ingenieur Kwisthout, die tevens lid was van de examencommissie. Deze zei: "Jongmens ik ben zeer tevreden over je werk, en weet ook dat je ijverig studeert, ik kan je het afleggen van dat examen niet beletten, doch denk erom, dat het moeilijk is en dat je onherroepelijk wordt ontslagen, wanneer je een tweede maal niet mocht slagen". Na rijpelijke overweging besloot ik toch om toelating tot het examen te vragen, daarbij redenerende, als ik ditmaal niet slaag, wat te verwachten is, zal ik er wel voor zorgen een tweede maal succes te hebben. Met grote belangstelling werd de uitslag tegemoet gezien er volgden enige weken van spanning, niet alleen bij mij maar ook bij de landmeters te Eindhoven.

In september werd de uitslag bekend en tot niet geringe verbazing was ik geslaagd en behaalde rangnummer vijf. Ik had nu mijn doel bereikt en er werd natuurlijk gefuifd. Een paar later werd ik bij Koninklijk Besluit benoemd tot landmeter van het kadaster op een tractement van f 1200 per jaar en met ingang van 1 november als zodanig werkzaam gesteld in de divisie Zutphen, standplaats Zutphen. Deze divisie stond in den lande bekend als de strafdivisie, vanwege de gestrengheid waarmee de toen daar aanwezige ingenieur-verificateur optrad.

Zo trok ik op 1 november 1879 naar Zutphen. Toen ik mij daar bij de heer Ingenieur-verificateur aanmeldde, kreeg ik tot bescheid: "Ik heb reeds veel over U gehoord en sta verbaasd over Uw prestaties. Ik wens U geluk met Uw benoeming en de berichten welke de heer Kwisthout mij zond , waren van dien aard, dat ik er niet aan twijfel of we zullen het hier best samen vinden. Deze woorden werden bewaarheid, want gedurende de zestien jaren, welke ik te Zutphen verbleef, heb ik met grootste genoegen onder die ingenieur gediend, we waren zelfs vrienden geworden.

In het jaar 1881 vroeg de regering de beschikbaarstelling van vier landmeters van het kadaster, ter uitzending naar Indië. Voor dergelijke jongelui waren daaraan mooie vooruitzichten verbonden en ik wilde daarvoor solliciteren. Mijn vader ontried mij dat echter en schreef: "Jongen doe dat niet, denk eens aan de daar aanwezige muskieten en at nog erger is, later wordt je als oostganger uitgescholden" een benaming, meestal gegeven aan oud-Indische soldaten. Ofschoon ik deze bezwaren niet steekhoudend vond, ben ik toch blijk vaders raad geëerbiedigd te hebben, want in latere jaren is mij menigmaal gebleken, dat ambteloze oud-Indische ambtenaren op veel te jeugdige leeftijd tot niets doen werden gedoemd en dat werkloos leven hoogst vervelend vonden.

Ik was in Zutphen reeds spoedig gewend, doch inburgeren ging niet makkelijk, vooral niet voor mij, omdat vijf-zesde van de bevolking Protestant was en zich onder de roomsen weinig ontwikkelden bevonden. Slechts met de familie W. Mahler-Esser, de ouders van H. Mahler, directeur der Mählersbank te Amsterdam, hield ik connectie. Trouwens ik had geen grote behoefte aan uitspanning, ik was aan geregeld inspannend werk gewoon en zo kwam ik ertoe mijn vrije uren aan een meer speciale studie te gaan wijden. Eerst nam ik mij voor om kandidaat-notaris te worden, omdat de burgerlijke wetten en notariële praktijken in zeer nauw verband staan met tal van kadastrale vraagstukken. Ik was reeds met die studie begonnen, doch het ontbreken van een geschikte leermeester in Zutphen deed mijn plan in duigen vallen.

Ik wende mij tot de directeur der H.B.S. Cramer te Zutphen, doctor in de wis-en sterrenkunde, met het verzoek mij wiskundige lessen te willen geven, doch hij weigerde op leeftijdsgronden, maar verwees mij naar een oud-officier der Genie, toen leraar aan die H.B.S. . Deze, de later algemeen bekende aardrijkskundige en schrijver A.A.Beekman te Den Haag, die het standaardwerk "Nederland als Polderland" en veel novellen heeft geschreven, huiverde ook enigszins, als zijn niet voldoende op de hoogte van de nieuwere wiskunde, maar bsloot toch mij te helpen zeggende: "Dan zullen we het tezamen leren". Deze studie was een hele onderneming, temeer daar ik mij uitsluitend in de vrije avonduren daaraan kon wijden.

Zo ging de tijd voorbij, totdat Thomas mij uitnodigde om hem met Kerstmis een bezoek te brengen te Amsterdam en dan kennis te maken met zijn meisje. Ik profiteerde daarvan en werd bij die gelegenheid geïntroduceerd bij de familie Cocx, waar ik goed werd ontvangen en bleef koffiedrinken. Deze familie bestond uit vader en moeder, ongeveer zestigjarigers, twee zoons, Kees en Karel, benevens drie dochters, Anna, Cato en Marie. Nadat ik zo nog een paar dagen te Amsterdam had doorgebracht, geschiede het wonder, dat ik nadere kennismaking aanknoopte met de tweede dochter des huizes: Cato, dat meisje viel in mijn smaak, zij was opgeruimd, oordeelde verstandig, zag niet onaardig uit, doch was tevens hoogst eenvoudig en kalm, evenals de hel familie.

Cato was pas 19 jaar oud, terwijl ik 26 was. Anna en Thomas werden in de geheimen ingewijd en Cato vroeg natuurlijk moeders oordeel. Bij zulke aangelegenheden spelen moeders een eigenaardige rol, zij vragen niet naar veel bijzonderheden, kijken slechts naar het uiterlijk, en zijn het spoedig met haar verliefde dochters eens. Zo geschiede het, moeder gaf haar toestemming, maar vader mocht er nog niets van weten. Ik vertrok weer naar Zutphen, natuurlijk met de opdracht om dikwijls te schrijven en nu en dan een klandestien bezoek te brengen aan Amsterdam. Dat ging gemakkelijk, omdat moeder was ingewijd en ik onderdak vond bij Thomas.

In de loop van 1881 trok ik de stoute schoenen aan en ging, in overleg met Cato en moeder, aan papa toestemming vragen. Deze had bezwaren, niet om mijn persoon of positie zoas hij zei, maar omdat Cato nog te jong was, toch kwam ik zo nu en dan aan huis en werd langzamerhand als een der hunnen beschouwd. Papa Cocx, was een eigenaardige man, men zou haast zeggen een zonderling. Naar men vertelde studeerde hij vroeger te Delft voor ingenieur, doch had die studie moeten staken na het overlijden van zijn vader om diens handel in diamanten over te nemen en voort te zetten..

Het was in Zutphen een gezellige boel, maar successievelijk trouwden de meeste heren, waarna het kalmer werd.

In november van het jaar 1883 deed ik examen en behaalde de akteK.I. en Q, middelbaar onderwijs wiskunde. Een mooi succes, want ik was toen de enige landmeter in Nederland in het bezit van die akte en opende alzo de rij voor weetgierige ambtenaren bij ons vak. Vele jaren bleef ik in dit opzicht eenling, doch tegenwoordig hebben verschillende landmeters dat getuigschrift, terwijl anderen advocaat of kandidaat-notaris zijn.

Thomas trouwde met Anna en werd overgeplaatst naar Maastricht. Door het vertrek van Anna had Cato haar beste gezellin verloren.

Cato en ik hadden gedacht op dezelfde dag als Anna en Thomas te mogen trouwen, maar een dubbele bruiloft was te druk en te kostbaar voor papa Cocx. Ikzelf had geen hasst om te trouwen. "Ik heb het nog goed en wat ik te wachten heb, is onzeker".

Op 28 mei 1885 stapte ik met mijn Cato, die ik hoogachtte en oprecht lief had, in het volle bewustzijn gelukkig te worden, te Amsterdam in het huwelijksbootje. Hierna maakten Cato en ik een gezellig uitstapje naar Brussel en de Ardennen, met een bezoek aan de grotten van Han. Vervolgens bezochten we de familie in Beek, waarna we ons lief en gezellig bovenhuis in Zutphen betrokken.

Zo ging alles naar wens, over onze gezondheid hadden we niet te klagen en geldelijke zorgen hadden we evenmin; we waren niet rijk, doch konden behoorlijk bestaan. Cato was steeds gezond geweest, totdat zich in de zomer van 1891 bij haar verschijnselen van zwaarmoedigheid begonnen te openbaren. Wanneer ze alleen was, begon ze bij tussenpozen te schreien, waarvan ze me telkens mededeling deed. Ze had nooit geheimen voor me, dat wist ik, en ze verklaarde daarvoor geen redenen te kunnen opgeven. In de volgende winter ging het goed, doch in het voorjaar van 1892 openbaarden zich die verschijnselen opnieuw, doch een specialist, die haar bezocht, zag de toestand niet ernstig in. Omtrent die tijd werd mijn goede vader ziek, hij had een longaandoening en met een kloppend hart ging ik hem bezoeken. Het viel hem op, dat ik zo afgetrokken was en stil, doch ik was bezorgd over Cato en dat durfde ik hem niet te openbaren. Ik vertrok dan ook weer spoedig naar huis en toen we enige dagen later, het bericht kregen, dat mijn vader, een man aan wien ik zoveel te danken had en van wie Cato zoveel hield, op de 10e april was overleden, oordeelde de dokter het goed, dat ik Cato meenam ter begrafenis. Dit geschiede, doch wij bleven slechts enige dagen te Beek, brachten nog een kort bezoek aan Thomas te Roermond en keerden toen huiswaarts. 14 dagen later, op den 29e april, trof mij de grootste slag van mijn leven, door het overlijden van mijn inniggeliefde vrouw Catharina Antonia Cocx, op de jeugdige leeftijd van 30 jaar. Ik was radeloos, ik had alles verloren wat ik bezat, mijn trouwe levensgezellin, en mijn geluk, ver verwijdert van familie, moest ik in de eenzaamheid de diepte peilen van het leed, dat God mij had overgezonden.

Het hevige van die plotselinge slag had mij ziek gemaakt. Een ernstig innerlijk zenuwlijden greep mij aan, waarvan ik eerst na lange geneeskundige behandeling en een verblijf van twee maanden in Wiesbaden in zover herstelde, dat ik na acht maanden mijn dagelijkse arbeid kon hervatten. Ik betrok weer kamers bij particulieren en door werken en studeren trachtte ik afleiding te zoeken, om mij in het onvermijdelijke te leren schikken. Toch duurde het vele jaren eer ik kon berusten en ook thans heb ik mijn vrouwtje nog niet vergeten, zodat ik gerust kan verklaren, nooit meer een vrouw ontmoet te hebben, die haar kon evenaren. Deze verklaring kan dienen voor hen die gaarne de reden willen weten, waarom ik niet ben hertrouwd.

In het jaar 1895 vroeg ik verzoek van mijn Limburgse familie overplaatsing naar Maastricht, waaraan werd voldaan, met betraande ogen nam ik afscheid van Zutphen, de plaats waaraan voor mij zoveel heilzame, doch tevens innig droevige herinneringen waren verbonden. Op 1 november van dat jaar betrok ik mijn nieuwe standplaats, doch ik vergat mijn vroegere woonplaats niet. Sedert dien tijd bezocht ik haar en de rustplaats van mijn onvergetelijke Cato ieder jaar trouw.

Tijdens mijn langdurig verblijf buiten Limburg had Beek een geheel ander aanzien gekregen. Ons oud eenvoudig schoolgebouw had niet alleen een verandering ondergaan, maar was in 1884 vervangen door een nieuwe school met ruime speelplaats, naar de eisen des tijds ingericht. De communicatiewegen naar de gehuchten en omliggende dorpen waren verbreed en herschapen in mooie grindwegen. In een woord, Beek was zeer verfraaid en welvarend geworden. Het aantal inwoners was ook gestadig toegenomen, waarvan ik de meesten niet meer kende.

Bij mijn komst in Maastricht vond ik oude vrienden en kennissen terug, die mij met open armen begroetten. Ik had mijn intrek genomen bij madame Duchâteau, die met haar dochters Jeanne en Lieske in de verlengde Brugstraat te Wijk een sigarenwinkel had geopend. Dat huis is verbouwd en maakt thans deel uit van het café, genaamd "De Heks Bar ".

In het jaar 1902 kreeg ik een bijzondere opdracht. Door het plotseling overlijden van de heer Schravers, leraar in de wiskunde aan de H.B.S, verzochten mij Burgemeester en Wethouders van Maastricht diens lessen tijdelijk te willen waarnemen. Ik was daartoe gaarne bereid, doch als rijksambtenar, moest de Minister mij daartoe verlof verlenen, hetwelk hij op verzoek deed.

In 1903 werd weer een andere last op mijn schouders gelegd. Enige heren der  rechtse politieke partij kregen het toen in het hoofd mij in het eerste kiesdistrict Wijk kandidaat te stellen voor het lidmaatschap van de gemeenteraad. De besprekingen daarvoor liepen spoedig af, daar ik verklaarde er geen zin in te hebben, omdat ik voor die vuile politiek niets voelde.

De partij Wijnands-Kleinen liet zich in dit opzicht niet onbetuigd en stelde mij eveneens kandidaat in het derde district, de Pieterstraat, waarvoor ik echter bij advertentie voor de stemming bedankte. Het was dus geen wonder dat ik in het eerste district werd gekozen. Ik aanvaardde die benoeming, hoewel met tegenzin en nam in september van dat jaar zitting.

Tot mijn groot genoegen liep in 1909 mijn mandaat als Gemeenteraadslid af.

In 1910 hield Brussel zijn Wereldtentoonstelling en mijn Belgische collega's en vrienden nodigden mij uit om op het bij die gelegenheid te houden internationaal landmeterscongres een en ander te willen vertellen over het Belgisch en zijn ambtenaren. Ik voldeed gaarne aan dat verzoek, temeer omdat uit de mij reeds gedeeltelijk bekende voorschriften en verordeningen op dat gebied bleek, dat in België op kadastraal gebied nog heel wat te verbeteren viel. In juli werd dat congres gehouden, waarbij ik een rede, oorspronkelijk in het Frans opgesteld, op verzoek van enige heren in het Nederlands hield, die zeer aan de verwachting der Belgische en vooral de Vlaamse landmeters voldeed.

In datzelfde jaar ontstonden twee vacatures voor Ingenieur-verificateur van het kadaster, een te Den Bosch en de andere te Roermond. Natuurlijk solliciteerde ik weer en toog naar Den Haag doch werd in afwijking van zijn gewoonte door de Minister allesbehalve vriendelijk ontvangen. Na mij aanbevolen te hebben, zei hij: " U begrijpt dat er meer sollicitanten zijn , ik kan U niets beloven en U moet dus maar afwachten. Kamerleden hadden mij gewaarschuwd hem niet te herinneren aan de gedane belofte en zo bezorgde mij deze korte audiëntie enig spannende ogenblikken.  De Hoofddirecteur, die ik daarna bezocht en ioo zijn verzoek verslag deed van mijn onderhoud met de Minister, stak mij een riem onder het hart door te zeggen: "Daar begrijp ik niets van, de Minuster is U toch zeer genegen. Ik zal het U maar ronduit vertellen, U wordt benoemd en staat nummer een op de voordracht, Ik laat U zelfs de standplaats kiezen, waar wil U het liefst zijn ?" Ik was in de wolken, bedankte de Hoofddirectuer en zei: "Als Limburger zou ik gaarne naar Roermond gaan, maar in het belang van de dienst acht ik het beter te 's-Hertogenbosch geplaatst te worden. Ik heb vele jaren met de landmeters te Maastricht in de beste verstandhouding gewerkt en nu vind ik het minder gewenst hun chef te worden". De Hoofddirecteur antwoordde daarop niet, doch toen de benoeming was gevolgd en mij Roermond als standplaats was aangewezen, ging ik als naar gewoonte, naar Den Haag om te bedanken. De Minister ontving mij koel, zijn kort bescheid was: " U gaat naar Roermond, ik verzoek U daar eens orde op zaken te stellen. Ik heb grote klachten gehad over handelingen der ambtenaren aldaar, die heren maakten op het kantoor reclames en lijsten voor verkiezingen, wat stipt verboden is. Mocht zich zoiets nog eens voordoen, dan verwacht ik van U daarover telegrafisch

bericht.

Ik was dus benoemd tot Ingenieur-verificateur van het kadaster te Roermond, had nu mijn doel bereikt en aanvaarde dat ambt aldaar op 1 januari 1911. Het zou me te ver voeren om alles op te sommen, wat ik gedurende dit chefschap heb gedaan en ondervonden.

Deze taak was niet altijd even gemakkelijk, vooral niet gedurende de oorlogsjaren, toen een algemene geest van luiheid, verzet en ontevredenheid heerste. Het vorderde toen heel wat stuurmanskunst om onder een vijtigtal ondergeschikte ambtenaren de orde en het gezag te handhaven. De omstandigheid dat men in Den Haag destijds het gezag vrijwel uit handen had gegeven, maakte de zaak nog minder prettig. Ik heb in die jaren heel wat moeilijke problemen moeten oplossen, doch had het voorrecht dit steeds naar de wensen van het hoofdbestuur te kunnen doen.

Het was in het jaar 1916, toen het militairisme hoogtij vierde, dat de Commissaris der Koningin mij benoemde tot lid van de Militieraad te Roermond, van welk college ik van 1919 tot 1920 voorzitter was. Een andere opdracht van zeer speciale aard ontving ik in 1922 van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën nl. om op te treden als regerings-commissaris bij de vaststelling der Nederlands-Belgische grens aan het Dreiländerpunkt te Vaals. daarddor kwam ik aanraking met de Intergeallieerde Commissie, belast met de vaststelling der nieuwe rijksgrens, zoals bij het vredestractaat van Versailles was bepaald ten opzichte van Duitsland en België.

Op 31 december 1924 moest ik wegens het bereiken van de 70 jarige leeftijd mijn ambt als Ingenieur-Verificateur van het kadaster in de tiende divisie neerleggen. Hare Majesteit de Koningin verleende mij met ingang van 1 januari 1925, eervol ontslag uit die betrekking, met dankbetuiging voor de diensten den lande bewezen. Zo eindigde mijn 47 jarige kadastrale loopbaan. En wanneer ik nu een terugblik werp op mijn afgelegde levensbaan, zie ik met dankbaarheid en voldoening daarop terug. Het is waar, mijn zorgzaam veel bewogen leven was vanaf mijn 15e jaar, een aaneenschakeling van zwoegen en hard werken, waarbij mij ook veel leed en zorgen niet bespaard gebleven. Maar God heeft mij bijgestaan en mijn ijver en vlijt beloond, door mij veel gunsten te verlenen, een goede gezondheid te schenken en in het hoogste ambt te bevestigen, dat voor kadastrale ambtenaren bereikbaar is. Daarbij mocht ik de voldoening smaken mijn ambtelijke plichten tot algehele goedkeuring en appreciatie der hoge regering te hebben kunnen vervullen. Met genoegen mag ik dan ook zeggen:

DER MOHR  HAT SEINE SCHULDIGKEIT GETAN, ER KAN GEHEN

P.W.H. PAULUSSEN OVERLEED TE MAASTRICHT OP 16 JANUARI 1932