HEEMKUNDE BEEK

Zoeken

NLDoet

IMG_3150.jpg

GASTENBOEK

 

     GASTENBOEK

gastenboek.jpg - 14,97 kB

GOLD AWARD

             GOLD AWARD

 Voor-3jaar.jpg - 244,20 kB 

        VOOR 3JAAR NR. 1

       

Bezoekers online

We hebben 36 gasten en geen leden online

WEBSITE 2016

 

 

          WEBSITE 2016

Afscheid Marietje

 

 Marietje.jpg - 94,97 kB

Afscheid Marietje

ANBI

 

anbi.png - 23,05 kB

Bokkenrijders

 

 Bokkenrijder-3.jpg - 30,67 kB

WEBSITE 2015

BECHA

 

 

Jo Hoen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

     

     

         Jo Hoen †

     Oprichter en

       1e voorzitter

 

 

Beek Toen en Nu

Beek Toen en Nu 2

     BEEK TOEN EN NU 2

Beek Uw Gemeente

Sigaren industrie

Marechaussee in Beek

 

 

           FR. Piek

Woonkernen

Bandkeramiek

St.Martinuskerk

Sint Hubertuskerk

Kasteel Genbroek

           Genbroek

Oude Pastorie

 

                KLIK

Sjterfhoes

Herv. Pastorie

Vlag Mijnwerkersbond

 

 

Hubertus Molen

EyeWitness

SICOF

Gedonder in de Hemel

Leenhof Valkenburg

 

      LEENHOF VALKENBURG

Oude Pastorie

 

       Oude Pastorie

Beheerder-Jan Jacobs

            E-mail

   Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Inlogformulier

Heemkundemuseum2.jpg - 45,66 kB

WERKGROEPEN AAN HET WERK

 

 Gemeentehuis-zw.jpg - 41,55 kB

GEMEENTEHUIS 1887 - 1987

Beeker Bokkenrijders

HeaderBokkenrijders2.jpg - 69,48 kB

 

Petrus Clermont, een mandenmaker uit Beek (Limburg) 

“Het Fijnwerck” als bijnaam 

Peter werd in 1723 geboren en trouwde in 1750 te Beek met Maria Catharina Peters. Ze kregen in het jaar 1755 een zoon die Matthijs heette. Het gezin woonde in Beek achter de kerk. Hij stond ook bekend als tapper, men kon bij hem thuis een brandwijntje drinken, en als voerman. Peter had ook ruim drie bunder land in bezit. We komen deze persoon voor het eerst tegen op 26 juli 1773, als de gedetineerde Dirk Hersseler tijdens een scherp verhoor in het Landshuis te Valkenburg op de stoel van de tortuur gebonden wordt. Dirk wordt “onder handen genomen” door de scherprechter en gaat op een gegeven ogenblik namen van medeverdachten noemen. Dirk bekende en passant dat hij zelf schuldig was aan diefstallen in een herberg nabij Aremberg aan de rivier de Aer, en bij een jood die op de grens van het Triers gebied gewoond zou hebben. Toen hij verder niets meer wilde bekennen, bracht de beul  op zijn rechter scheenbeen een beenschroef aan. Dirk hield de  vreselijke pijnen niet meer uit en gaf toe dat hij in Birndorf bij Birdel “een vette geyt”  had gestolen en dat hij in de St. Linners kapel  bij de Spekhuyser heide de eed had gezworen op de bende van gauwdieven. Deze laatste uitspraak zou hem zeker de das om gaan doen. Vervolgens noemde hij alsof hij het van buiten geleerd had, de namen van 35 personen die volgens hem medeplichtig zouden zijn aan “diefstallen en huysbraeken”. Een van deze personen was “ het Fijnwerck  agter de kerk te Beek sijnde tapper en Kurvenmaker”. Daarmee bedoelde Hersseler Petrus Clermont, die vanwege zijn vakmanschap, hij maakte mooie witte manden en korven,  de bijnaam “het Fijnwerck” had gekregen. Als Dirk een dag later opnieuw verhoord wordt, beticht hij Clermont van deelname aan een diefstal te Heugen bij Millen in het ambt Born. Als vervolgens de eveneens in Valkenburg vastzittende Matthijs Smeets Piter Clermont ervan beschuldigt als “meede tot de Bende te behooren”, begint het doek voor Peter langzaam te vallen. Volgens Matthijs zou “het Fijnwerck”ook deelgenomen hebben aan een diefstal in het dorp Havert , gelegen in het drostambt Tudderen. Smeets verklaarde verder dat Clermont ook aanwezig was geweest bij de diefstal op de weduwe Robroeks “op de Laek aen deese seijde Maaseijk, anderhalf jaer geleden”! 

Was Clermont enkel een meeloper? 

De rechtbank moet nu overtuigd geraakt zijn van de schuld van Clermont, en aarzelde niet hem begin september 1773 op te pakken. Als op 21 en 22 september 1773 Geerke (Gerrit) Steijnen uit Neerbeek door de rechtbank aan de martelprocedure onderworpen wordt, vallen er opnieuw grote donkere schaduwen over de persoon van Peter Clermont. Geerke vertelde de rechtbank op dinsdag 21 september dat Peter medeplichtig zou zijn geweest aan de diefstal bij boer Walraven “aen de Maesbandt”. Een dag later beschuldigde  hij Clermont ervan dat hij gewapend met een stok aanwezig zou zijn geweest bij de overval op “ boer à Campo aen’t nieuw huijs achter Schimmert gelegen”! Waarschijnlijk was Steijnen op dat ogenblik al “ver weg” ten gevolge van de brutale tortuur, want deze overval heeft nooit plaats gevonden. Hij noemde de naam van Clermont, die hij zeer zeker kende, om van de martelstoel af te kunnen komen. Peter Clermont werd op  13 en 20  oktober in Valkenburg aan een scherp examen onderworpen. Het eerste scherpe verhoor werd door de aanwezige gerechtsarts afgebroken omdat er gevaar dreigde voor het leven van Clermont. De beklaagde moest eerst herstellen van zijn verhoor voordat hij opnieuw onder handen genomen kon worden. De tweede martelsessie vond plaats op de 20ste oktober. De “Heer Lands doctor” achtte het nu gerechtvaardigd om Clermont, wiens lichaam verzwaard  was met een gewicht van 25 pond, aan de stroppade (wipgalg) op te hangen. De arts haalde hem echter na een paar uur “weegens overkoomende flauwtens” van de stroppade af en schortte het verhoor op! Clermont overleed op dertien november aan de gevolgen van de misdadige “behandeling”  van de scherprechter die in opdracht van het Hollandse bestuur gebeurd was. 

Hollandse rechtbank vonnist lijk!! 

Twee dagen later kwam het gerecht op het Landshuis te Valkenburg bij elkaar om het vonnis uit te spreken tegen “het cadaver van Pieter Clermont leggende hier op het Lants huijsen”. Ze concludeerden dat Peter “menigvuldige”malen beschuldigd was door gedetineerden uit het Land van Valkenburg, maar ook door complicen uit Geulle en Elsloo. Kortom genoeg bewijs om zelfs een dode nog te veroordelen!! Trouwens Clermont had zelf toegegeven dat hij vruchten op het “open velt” had gestolen. De rechtbank riep de vilder van het Landshuis op om het lijk van Clermont op te halen en zijn lichaam op een kar naar Beek te vervoeren waar het op de executieplek van Beek “onder de aerde gedolven moest worden”. De gestorvene werd eveneens veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. Zijn goederen werden door de rechtbank “executabel verklaard”! Dit vonnis werd op de pui van het Landshuis in aanwezigheid van de vier schepenen en burgemeester Bousch aan het volk kenbaar gemaakt. Het dode lichaam van Clermont lag tijdens deze “ceremonie” bewaakt door 24 schutten reeds op de kar van de vilder. De opbrengst van de executoriale verkoop bracht niets op. De rechtbank had kunnen weten dat de man niets bezat. Maar toch, als er een stuiver uit een arme burger te halen was, dan deden ze dat  met alle plezier De Landsdokter van de Staatse Partage van het Land van Valkenburg, Vrijthof,  zou enigszins verlaat in juni 1775 een rekening indienen  betreffende zijn behandelingen van Clermont. Hij telde een bedrag van 20 gulden voor zijn reizen van Maastricht naar Valkenburg, acht gulden voor twee visites, vier gulden voor het berichten van het overlijden van Clermont aan het “Hoog Officie”, en twaalf gulden voor de huur van een rijtuig. Er waren altijd al mensen die verdienden aan de ellende van anderen! 

Bastiaen Boosten 

Een van de eersten die we tegenkomen is de smid Boosten die in 1758 trouwde met Margareta Vrusch uit Beek, een zus van de bendeleden Joannes en Christiaen uit Beek. Boosten werd door een paar gevangen zittende delinquenten beschuldigd van lidmaatschap van de bende. Zo vertelde Dirk Hersseler op 26 juli 1773 aan het gerecht dat “eenen Smet (bovengeschr: M.R. Boosten) woonende tegensover waar de heer Gobbele gewoont heeft in de Straet als men van de Plaets na Lambermont gaet”, aan verscheidene diefstallen schuldig zou zijn”. Helaas bleef het daar niet bij, want op 15 en 16 september 1773 meldde Mathijs Smeets uit Beek dat een zekere “Bastiaen Boostens een jaar geleden bij de schepen Brugge tot Lummerich ( Limbricht) als complice geassisteerdt had bij een inbraak”! 

De Elsloose tam-tam deed haar werk, waardoor Boosten op de een of andere wijze vernam dat bendeleden hem beschuldigd hadden. Het was alsof hij de grond onder zijn voeten voelde wegzakken. Waar moest hij heen? Toen de rechtbank op 14 november 1774 het vonnis tegen hem uitsprak, was hij er lang vandoor. “Beclaegde Bastiaan Boosten werd voor altoos uijt deze vrij Heerlijcheid en vrij Baronie verbannen, met interdictie van noijt in dezelve te moogen verschijnen, op pœne van daarinne bevonden wordende, zwaarder te worden gestarft, met condemnatie van denzelven in de Costen en misen van justitie ter onzer Taxatie en moderatie met Confiscatie van goederen.
Actum op den ouden Stadhuijze binnen Maestricht nae becomene territorium
Den 14. november 1774” 

Het vonnis werd drie dagen later nog eens in het openbaar aan de Kaak van Elsloo voor ieder die het wilde horen voorgelezen. Daar bleef het niet bij, want op 3 februari 1775 werd er bij verstek eveneens en nogmaals vonnis gesproken tegen Bastiaan Boosten, nu in Valkenburg. Luitenant-drossaard W.Vignon trad in deze zaak op als openbaar aanklager. Voor hem wat het duidelijk dat “den beclaegden Bastiaen Boosten een Litmaet is der berugde en godloose bende gaudieven, knevelaers en boosdoenders welke sedert eenige jaeren het Lant geinfecteert en welkers pligtigen thans soo hier als in de nabuurigen Landen ter straffe getrocken geworden, en tot alwelke bende den beclaegden hem heefd ingelijfd en verbonden”. 

De “slotmaeker” kreeg het nog eens voor zijn kiezen. Boosten had volgens deze functionaris “geassisteert en gecoopereert aen en bij  seventhien violente huijsbraeken, Diefstallen en knevelarieen, alle in actis gespecificeert en gedetailleert. Van welke diefstallen den beclaegden sijn aendeel genoten en geprofiteert heeft”. Dergelijke gruwelijke feiten en enorme delicten konden volgens hem in een land van politie en justitie niet worden getolereerd, maar behoorden tot afschrikking van iedereen bestraft te worden. 

Boosten werd vervolgens door het Hooggerecht van de Stad en Vrijheid Valkenburg mede uit naam van de Hoogmogende Heren van de Staten –Generaal van de Verenigde Nederlanden voor eeuwig uit de Drie Landen van Overmaaze, Partage van Haar Hoogmogende, alsmede uit het gebied van de Generaliteitslanden verbannen. Mocht Boosten de euvele moed hebben om tegen deze zware straf te zondigen, dan zou de rechtbank naar bevinden handelen, lees de doodstraf hanteren. 

Het vonnis werd “naar voorgaende klokkeslag van de puije van’t Lands huijs binnen Valkenborg ten overstaan van de Heren van den Geregte gepronuntieerd op den 16 Februarij 1775”. Uit de administratie van de rentmeester van De Landen van Overmaaze blijkt dat de bezittingen van Boosten bij gedwongen verkoop niets opleverden. Weer was een arme drommel, een smid uit Catsop, geslachtofferd door een nepotistische elite. 

Willem Caldenberg 

wordt "Scheele Willem" genoemd en is afkomstig van Spaubeek. Zijn woonadres en beroepsbezigheden zijn niet bekend, het later in beslag genomen kindsdeel in een erfenis bedraagt tien gulden, niet veel bezit dus.

Hij trouwt op 14 oktober 1740 in Spaubeek Maria Hamers en uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, een dochter in 1743 en een Zoon in 1745.

Hij wordt ervan verdacht medeplichtig te zijn aan de brandstichting in augustus 1751 bij Drossaard Duijckers in Raath, maar hij is gevlucht en er zijn geen gerechtelijke stappen tegen hem bekend. Hijzelf is niet meer gezien in de regio. Maria Hamers is 24 juli 1765 in Spaubeek begraven.

Leonard Claessens

wordt de "Scheelen Procureur" genoemd en is op 21 januari 1730 te Beek gedoopt als zoon van Joannes en Anna Lonissen. Hij woont te Geverik en bezit enig land, dat bij excecutieveiling ruim 600 gulden opbrengt.

Hij trouwt op 6 februari 1763 in Beek met Elisabet Bours. Hij hertrouwt, jaar oud, op 20  april 1765 in Beek met de 39 jarige Catharina Muitjens (Meutgens), gedoopt 4 juni 1725 te Merkelbeek als dochter van Stephanus en Anna Rameckers. Het paar wordt omschreven als "Leendert van Geverig getrouwt met de maegd uyt de molen van St Jansgeleen genoemt Catrijn. Uit beide huwelijken geen kinderen.

Hij wordt in de verklaringen bij het scherp examen van Dirk Hersseler op 26 en 27 juli 1773 en is daarna voortvluchtig. Bij verstek verbannen op 16 februari 1775 "ten eeuwigen daege uit de drie Landen van de Overmaaze Partage van Haar Hoog Moogende, als meede uit het district der Generaliteijt" Verder is van zijn lotgevallen niets bekend.

Peter Craenen 

genoemd "Het Craenke" , wordt 6 mei 1738 te Beek gedoopt als zoon van Joannes en Elisabeth Roox, woont in het dorp Beek aan de kant van Neerbeek, wonende in het tweede huys van den Gerichtsbode, slotenmaker beroep. Later is de opbrengst van in beslag genomen goederen nihil. Hij trouwt 4 maart 1764 in Beek met Petronella Sassen, die 28 oktober 1764 in Geleen overlijdt. Peter hertrouwt 12 oktober 1766 in Beek met de twaalf jaar oudere Gertrudis Heijnen, geboren in Haasdal en gedoopt 21 oktober 1725 in Schimmert als dochter van Barthelomeus en Mechtildis Muijlkens, uit beide huwelijken geen kinderen. 

Een van de velen die werden beticht door Dirk Hersseler, arrestatie op 16 november 1773, confrontatie met Gerard Muijlkens. Veroordeeld tot scherp examen bekent hij al bij de territie, de inleidende bangmakerij, op 24 januari 1774, de recollectie vind plaats op 24 januari en  tenslotte wordt het doodvonnis uitgesproken.

Peter sterft 36 jaar oud op 26 mei 1774 aan de galg op de Graetheide onder Beek.  Gertrudis Heijnen overlijdt meer dan veertig jaar na de executie van haar man, op 1 april 1816 in Schimmert, zij is 90 jaar oud geworden.  

 Mathijs Crull

is afkomstig uit Frankrijk of Wallonië, woont in Hobbelrade. Er wonen eerder meerdere leden van de familie Crull in de Parochie Spaubeek, maar een relatie kan niet vastgesteld worden. Van beroep was hij schoenmaker en bijenkorfmaker en een tijd soldaat, hij deserteert tijdens een belegering van de stad Namen (in de loop van de Oostenrijkse successieoorlog). Hij trouwt Anna Maria van Schraden, die op 5 juli 1741 in Spaubeek begraven wordt. Uit dit huwelijk zijn in 1739 en 1740 twee kinderen geboren. Mathijs hertrouwt met Barbara Everts. Uit dit huwelijk worden vijf kinderen geboren tussen 1744 en 1754. Hij vlucht voor het gerecht in 1751. Mathijs wordt aan de overkant van de Maas aangehouden en sterft 6 januari 1754 aan de galg in Leut (B). Barbara Everts krijgt in 1763 een kind van Petrus Lenssen, de man van een stiefdochter. Zij wordt op 19 januari 1784 in Spaubeek begraven, veertig jaar na de dood van haar man.

 Mathijs Crutz                                                                                                   

 wordt 10 oktober 1721gedoopt in Hulsberg als zoon Ulricus en Helena Coenen. Zijn uiterlijk wordt beschreven als "lang van gezicht" gaande wat voorover, recht haar, wolspinner van beroep, woont in Kruis op de grens tussen Beek en Schimmert. Waarschijnlijk tamelijk arm, want later is de opbrengst van de confiscaties nihil. Hij 23 november 1755 in Schimmert met Cornelia Heijnen, een dochter van Martinus en Anna Maria Roumans (volgens de aangifte van het overlijden)  Uit dit huwelijk worden acht kinderen geboren tussen 1756 en 1772. Genoemd door gevangenen als medeplichtig aan diefstallen, arrestatie begin oktober 1773 en opgesloten in het Landhuis te Valkenburg. Op 27 november onderworpen aan een scherp examen, duim-en scheenschroeven en enkele stroppades, op 12 december opnieuw, maar hij blijft ontkennen. De Landsdochter laat de foltering staken. Mathijs sterft, 52 jaar oud, op 25 december 1773 in de gevangenis van het Landhuis in Valkenburg. Hij wordt toch nog veroordeelt, omdat; "uijt de acten blijckt dat denselven een meede lid geweest is van de Godloose en talrijcke bende gauwdieven en plichtig staat aan verscheijdene huijsbracken, sich niet tegenstaende bij het begin van de torture heeft trachtenals hebbende wegens indispositien daar mede niets verders konnen voortgevaaren worden, sich met eene Halsterige loogeninge te behelpen, denwelcken nogthans niet anders dan een Godvergeeten booswigt kan worden Geconsidereerten aenemerckt. Zijn lijk wordt begraven onder de galg op de Graetheide onder Beek. Cornelia Heijnen overlijdt 45 jaar na de dood van haar man op 21 oktober 1819 in Schimmert. 

 Nicolaes Daniels 

genoemd Nicolaes Stassen, wordt geboren in Kruis op 17 februari 1733, gedoopt in Schimmert als zoon van Eustachius (Stas) en Maria Tulleners. Zijn vader is afkomstig uit Schinnen en verwant aan vervolgden uit de periode 1743 - 1751, een broer van Gerlingh Daniels, van Anna Daniels getrouwd met Mathijs Swinnen, ook van Helena Daniels, vrouw van Anton Winckens sr. en van Gertrude Daniels, de moeder van Nol Caldenberg. Hij woont sinds 1755 in Op de Bies onder Schimmert, radmaker van zijn vak, en zijn huisraad en gereedschap brengt later ruim 80 gulden op. Hij trouwt 22 mei 1764 in Spaubeek met Maria Catharina Vlecken, hgedoopt 11 december 1739 in Schimmert als dochter van Simon en Elisabeth Coox. Uit dit huwelijk worden vijf kinderen geboren tussen 1764 en 1773. Door gevangen beschuldigd van medeplichtigheid aan overvallen is hij 8 januari 1775 aangehouden en in het Landhuis van Valkenburg opgesloten. Hij ontkent, wordt veroordeelt tot een scherp examen en op 16 februari bekent hij dan wel en beschuldigt ook anderen. De misdaden die hij bekent zijn de basis voor een doodvonnis op 31 maart. Nicolaas sterft 4  april 1775 aan de galg op de Lommelenberg bij Valkenburg. Maria Catharina Vlecken overlijdt, pas 41 jaar oud op 15 april 1781 in Schimmert.

Arnold (Erke) Erkens 

genoemd "den Hoesaar" woont in Beek aan de Molenstraat "in het eerste huys op de rechterhand als men van de Plats komt". Hij is van beroep brandewijnstoker, bezit vrij veel land, dat later ongeveer 1300 gulden opbrengt, en zal dus ook "geboerd" hebben. Zijn bijnaam wijst er wellicht op , dat hij in zijn jonge jaren soldaat is geweest. Deze bijnaam is nodig, omdat er een naamgenoot is, die indezelfde periode in denabijheid woonde en die ook vervolgd is. Welke bedoelen de getuigen? Hij trouwt 1 juli 1742 in Beek met Joanna Huynen, gedoopt 15 juli 1717 in Schinnen als dochter van Hendrik Hoenen en Maria Diederen, een zuster van Peter Huynen. Uit dit huwelijk worden acht kinderen geboren tussen1743 en 1761. Hij is al beschuldigt door Pieter Pieters uit Geulle op 10 juli 1773 en door Dirk Hersseler op 26 juli. Deze laatste geeft een gedetailleerde beschrijving van de overval bij Campo in het Nieuwe Huys, waarbij zij beiden betrokken zouden zijn. Toch volgt arrestatie op 24 november 1773 en op 13 december is zijn inboedel al openbaar verkocht. Het verhoor onder foltering vindt plaats op 25 en 26 januari en de dag daarna bij de recollectie zegt hij " alles uijt pijn en vreese van de torture hadde moeten bekennen" maar blijft bij zijn bekentenissen. De Schepenen reageren op deze paradox door hem de dag erna weer (scherp) te verhoren en tenslotte volgt een doodvonnis. Erke sterft 8 februari 1774 aan de galg op de Graetheide onder Beek. Joanna Huynen overlijdt 15 april 1779 in Beek.

Arnold (Erke) Erkens 

wordt 5 december 1721 gedoopt in Geleen als zoon van peter en Sebilla Hamers, een ouder broer van Wiilem Erkens. Hij woont in Neerbeek naast Dirk Hersseler en bezit eigen land ter waarde van 500 gulden.

Hij trouwt op 17 november 1748 in Born met Gertrude Vrancken, gedoopt 9 maart 1720 in Born als dochter van Severinus en Richardis Guessen. Uit dit huwelijk worden vijf kinderen geboren tussen 1750 en 1759.

Erke zou in juni 1773 na de arrestatie van Dirk Hersseler gevlucht zijn, maar wordt pas in juli bij Dirks nadere scherpe verhoren op 26 juli genoemd als medeplichtige. Daarbij is onder meer de diefstal bij Campo achter Schimmert in het Nieuwe Huys genoemd. Maar Erke kan niet gearresteerd worden, want hij is gevlucht (naar de familie van zijn vrouw in Born in het Hertogdom Gulik). Hij blijft weg en wordt bij verstek verbannen op 16 februari 1775.

Willem Erkens

genoemd "Willem van het Bloote Vauweren" wordt gedoopt op 5 oktober 1727 als zoon van Peter en Sebilla Hamers, een jongere broer van Arnold Erkens. Hij woont in Neerbeek in een nieuw huis.

Hij trouwt op 12 oktober 1752 in Geleen met Catharina Brouns, gedoopt 2 juli 1730 in Geleen als dochter van Hendrik en Sebilla Smeets. Ui t dit huwelijk worden vijf kinderen geboren tussen 1754 en 1769 en kort na de laatste geboorte overlijdt Catharina.

Willem hertrouwt, 43 jaar oud, op 22 oktober 1770 in Beek met Elisabeth Dederen, gedoopt 18 maart 1737 als dochter van Joannes en Maria Jansen.

Hij is een van de eerste inwoners van Beek die beschuldigd is als bendelid. Willem wordt al genoemd in de eerste pijnlijke verhoren van Dirk Hersseler op 11 en 12 juni 1773, onder meer als medeplichtige aan de diefstal bij Campo in het Nieuwe Huys. Op 7 augustus 1773 is hij aangehouden na een juridisch advies van J.C.S.de Limpens en overgebracht naar het Landhuis in Valkenburg. Daar is hij aan een scherp examen onderworpen op 20 augustus en 13 september, op 27 januari 1774 en voor de vierde maal op 4 juli.

Er volgt een doodvonnis. Willem sterft, 46 jaar oud, op 28 juli 1774 aan de galg op de Lommelenberg bij Valkenburg.

Willem Glasemakers

wordt 17 april 1727 gedoopt in Geleen als zoon van Tevis en Neesgen Genders. Hij is rond 1765 in Beek komen wonen aan het Wolfeinde. Dirk Hersseler noemt hem "Willem aen het Wolfendt" sijnde een schroevemaker van professie, sijnde getrouwt met eene weduwe welke is de swagerse van de molenaar van St. Jansgeleen, genaamd Kerckhoffs en later "Willem den scheerenmaker aen het Wolfendt" Hij is metaalbewerker en werkt soms als voerman met een paard. Hij trout 36 jaar oud, op 28 januari 1764 in Schinnen met de 41 jarige Joanna Catharina Cremers, gedoopt aldaar op 1 januari 1723 als dochter van Joannes en Elisabeth Schiffelers. Zij is de weduwe van Mathijs Kerckhoffs. Uit het huwelijk van Willem en  Joanna Catharina worden twee kinderen geboren in 1764 en 1766.

Willem is als een van de eerste inwoners van Beek beticht van lidmaatschap van de criminele bende, genoemd door Dirk Hersseler als die op 11 juni 1773 aan de folteringen wordt onderworpen en ook bij latere pijnlijke verhoren. Onder meer als medeplichtige aan de niet bestaande overval op Campo in het Nieuwe Huys. Hoe dan ook, het gerecht wint juridisch advies in en dat zegt dat Willem gearresteerd kan worden. Aanhouding vind plaats op 7 juli en hij wordt opgesloten in het cachot van het Landhuis van Valkenburg, waar hij op 9 en 10 september scherp verhoord is. Hij wordt schuldig bevonden en ter dood veroordeeld.

Willem sterft 46 jaar oud op 23 september 1773 aan de galg op de Graetheide onder Beek.

Joanna Catharina overlijdt 30 september 1794 in Beek.

Adam Goossens

Genaamd "Roer an Daem" wordt geboren op 5 januari 1743, gedoopt in Beek als zoon van Theodorus en Anna Habets. Hij is slotenmaker, een beroep waar in die tijd weinig werk voor is, woont bij de Holle weg aan de rand van het veld en heeft geen bezittingen die het gerecht in beslag kan nemen.

Hij trouwt op 30 november 1765 in Beek met Elisabeth Berkelers, aldaar gedoopt 9 augustus 1744 als dochter van Joannes en Agatha Spruijten. Ui tdit huwelijk worden vier kinderen geboren tussen 1766 en 1774, waarvan het laatste na de dood van de vader.

Daem is 16 juli 1773 aangehouden en overgebracht naar het Landhuis in Valkenburg. Hij wordt op 21 september geconfontreerd met Andries Stijnen en Matthijs Smeets uit Beek, die hem beschuldigd hebben. Aangezien hij niet bekent, wordt hij veroordeelt tot een scherp examen en onder foltering bekent hij op 11 oktober wel wel meegedaan te hebben aan overvallen en ook het afleggen van de eed aan de duivel in de St. Rosakapel te Sittard. Tijdens dat verhoor noemt hij meer dan veertig personen als medeplichtigen, maar de volgende dag herroept hij de helft van die namen. Het blijft voldoende voor het gerecht om hem ter dood te veroordelen.

Daem sterft 30 jaar oud op 26 november 1773 aan de galg op de Graetheide onder Beek.

Elisabeth Berkelers overlijdt 28 mei 1787 in Beek, pas 42 jaar oud.

Adam Goossens 

genoemd "Mordavid" en "Jannekes Daem" wordt 8 december 1723 gedoopt in Beek als zoon van Joannes en Elisabeth Snijders. Hij verdient de kost als landbouwer en woont aan het Wolfeinde onder Beek, zijn grondbezit brengt later ongeveer 400 gulden op.

Hij trouwt, 38 jaar oud, op 23 mei 1762 in Beek met Odilia Martens, gedoopt op 24 december 1730 in Elsloo als dochter van Martinus en Maria Claessen. Ui dit huwelijk worden vier kinderen geboren tussen 1764 en 1772.

Daem wordt gearresteerd op 17 oktober 1773, drie maanden na zijn naamgenoot Adam Goossens, bijgenaamd Roer an Daem. In hoeverre verwarring tussen deze twee naamgenoten een rol heeft gespeeld, blijft een open vraag. Hij is evenals zijn naamgenoot geconfronteerd met Matthijs Smeets uit Beek. Deze Daem is op 23 november verhoord en daarna op 19 januari 1774 aan een verhoor onder foltering onderworpen. Hij bekent dan wel medeplichtig te zijn aan zes diefstallen, waaronder ook aan "den violenten diefstal en huijsbraeke gebeurt op seekere plaatse genaamt het Nieuw Huys, of Wit Huys, achter Schimmert geleegen", Campo in het Nieuw Huys dus. In het doodvonnis van 3 februari 1774 wordt die niet bestaande overval gewoon genoemd als een van de argumenten.

Daem sterft 50 jaar oud op 8 februari 1774 aan de galg opde Graetheide onder Beek.

Odilia Martens overlijdt 32 jaar na de executie van haar man op 8 mei 1806 in Beek.

Opmerking: Daem bekent ook drie misdrijven  die in Beek gepleegd zijn: diefstal van veldvruchten bij de weduwe Vreen aan de kerk, van enige tarwe bij landmeter Stijnen en een inbraak bij Geerke op den Winkel. Alleen van het tweede is - achteraf - een proces verbaal (corpus delicti) opgesteld.

Frans Haegmans 

wordt op 14 november 1738 gedoopt in Beek als zoon van Petrus en Catharina Roobroex. Hij woont onder Beek aan de Adsteeg, is wolspinner van beroep, maar bezit ook land ter waarde van bijna 250 gulden, dat hijzelf bebouwt.

Hij trouwt 14 juni 1767 in Beek met Helena Mathijs (Thijsen) gedoopt 29 januari 1742 aldaar als dochter van Martinus en Helena Stijnen. Ui t dit huwelijk worden tussen 1768 en 1773 drie kinderen geboren.

In september 1773 tij, gemeente Geleen.dens een pijnlijk verhoor werd hij door Matthijs Smeets genoemd als complice van de bende, en Frans is aangehouden op 24 november 1773 en opgesloten in het Landhuis te Valkenburg. Het dossier is niet volledig, van het scherp verhoor van 24 januari 1774 is geen protocol bewaard gebleven. Hij zal wel bekend hebben, want een tweede foltering vindt het gerecht niet nodig en ze veroordeelt hem ter dood.

Frans sterft 35 jaar oud op 8 februari 1774 aan de galg op de Graetheide onder Beek.

 De-galg2.jpg - 482,54 kB

DE GALG OP DE GRAETHEIDE

 

Land van Valkenburg

Op 20 april 1773 begon men hier met de terechtstellingen. In Heerlen werden 38 Bokkerijders ter dood gebracht, 20 werden verbannen en drie werden vrijgesproken. In Beek werden tot en met 26 mei 1774 22 Bokkerijders geëxecuteerd. Omdat er in bijna ieder dorp Bokkerijders zaten kostte het te veel geld om de ter dood veroordeelden, die in ‘den Landhuyse’ te Valkenburg opgesloten zaten, naar de gerechtplaatsen van de banken te vervoeren, waar zij woonden. De hoofdofficieren en de rechters namen derhalve een resolutie aan om voortaan gearresteerde Bokkerijders op een gemeenschappelijke plaats te executeren. Vanaf die tijd werden daarom alle Bokkerijders uit het Land van Valkenburg op de Lommelenberg terechtgesteld. Dat waren Bokkerijders uit Beek, Valkenburg, De Heeck, Klimmen, Schimmert, Houthem, Meerssen, Hulsberg, Haasdal, Aalbeek en Walem. De hoofdbank Heerlen was niet bij deze resolutie betrokken. De Heerlense Bokkerijders werden weliswaar in Valkenburg veroordeeld, maar hun vonnissen werden in Heerlen voltrokken.

 

 

  Home.png - 11,00 kB