HEEMKUNDE BEEK

Zoeken

NLDoet

IMG_3162.jpg

GASTENBOEK

 

     GASTENBOEK

gastenboek.jpg - 14,97 kB

GOLD AWARD

             GOLD AWARD

 Voor-3jaar.jpg - 244,20 kB 

        VOOR 3JAAR NR. 1

       

Bezoekers online

We hebben 3 gasten en geen leden online

WEBSITE 2016

 

 

          WEBSITE 2016

WEBSITE 2015

BECHA

 

 

Jo Hoen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

     

     

         Jo Hoen †

     Oprichter en

       1e voorzitter

 

 

Beek Toen en Nu

Beek Toen en Nu 2

     BEEK TOEN EN NU 2

Beek Uw Gemeente

Sigaren industrie

Marechaussee in Beek

 

 

           FR. Piek

Woonkernen

Bandkeramiek

St.Martinuskerk

Sint Hubertuskerk

Kasteel Genbroek

           Genbroek

Oude Pastorie

 

                KLIK

Sjterfhoes

Herv. Pastorie

Vlag Mijnwerkersbond

 

 

Hubertus Molen

EyeWitness

SICOF

Gedonder in de Hemel

Leenhof Valkenburg

 

      LEENHOF VALKENBURG

Oude Pastorie

 

       Oude Pastorie

Beheerder-Jan Jacobs

            E-mail

   Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Inlogformulier

Heemkundemuseum2.jpg - 45,66 kB

WERKGROEPEN AAN HET WERK

 

 Gemeentehuis-zw.jpg - 41,55 kB

GEMEENTEHUIS 1887 - 1987

Beeker Bokkenrijders

HeaderBokkenrijders2.jpg - 69,48 kB

 

Petrus Clermont, een mandenmaker uit Beek (Limburg) 

“Het Fijnwerck” als bijnaam 

Peter werd in 1723 geboren en trouwde in 1750 te Beek met Maria Catharina Peters. Ze kregen in het jaar 1755 een zoon die Matthijs heette. Het gezin woonde in Beek achter de kerk. Hij stond ook bekend als tapper, men kon bij hem thuis een brandwijntje drinken, en als voerman. Peter had ook ruim drie bunder land in bezit. We komen deze persoon voor het eerst tegen op 26 juli 1773, als de gedetineerde Dirk Hersseler tijdens een scherp verhoor in het Landshuis te Valkenburg op de stoel van de tortuur gebonden wordt. Dirk wordt “onder handen genomen” door de scherprechter en gaat op een gegeven ogenblik namen van medeverdachten noemen. Dirk bekende en passant dat hij zelf schuldig was aan diefstallen in een herberg nabij Aremberg aan de rivier de Aer, en bij een jood die op de grens van het Triers gebied gewoond zou hebben. Toen hij verder niets meer wilde bekennen, bracht de beul  op zijn rechter scheenbeen een beenschroef aan. Dirk hield de  vreselijke pijnen niet meer uit en gaf toe dat hij in Birndorf bij Birdel “een vette geyt”  had gestolen en dat hij in de St. Linners kapel  bij de Spekhuyser heide de eed had gezworen op de bende van gauwdieven. Deze laatste uitspraak zou hem zeker de das om gaan doen. Vervolgens noemde hij alsof hij het van buiten geleerd had, de namen van 35 personen die volgens hem medeplichtig zouden zijn aan “diefstallen en huysbraeken”. Een van deze personen was “ het Fijnwerck  agter de kerk te Beek sijnde tapper en Kurvenmaker”. Daarmee bedoelde Hersseler Petrus Clermont, die vanwege zijn vakmanschap, hij maakte mooie witte manden en korven,  de bijnaam “het Fijnwerck” had gekregen. Als Dirk een dag later opnieuw verhoord wordt, beticht hij Clermont van deelname aan een diefstal te Heugen bij Millen in het ambt Born. Als vervolgens de eveneens in Valkenburg vastzittende Matthijs Smeets Piter Clermont ervan beschuldigt als “meede tot de Bende te behooren”, begint het doek voor Peter langzaam te vallen. Volgens Matthijs zou “het Fijnwerck”ook deelgenomen hebben aan een diefstal in het dorp Havert , gelegen in het drostambt Tudderen. Smeets verklaarde verder dat Clermont ook aanwezig was geweest bij de diefstal op de weduwe Robroks “op de Laek aen deese seijde Maaseijk, anderhalf jaer geleden”! 

Was Clermont enkel een meeloper? 

De rechtbank moet nu overtuigd geraakt zijn van de schuld van Clermont, en aarzelde niet hem begin september 1773 op te pakken. Als op 21 en 22 september 1773 Geerke (Gerrit) Steijnen uit Neerbeek door de rechtbank aan de martelprocedure onderworpen wordt, vallen er opnieuw grote donkere schaduwen over de persoon van Peter Clermont. Geerke vertelde de rechtbank op dinsdag 21 september dat Peter medeplichtig zou zijn geweest aan de diefstal bij boer Walraven “aen de Maesbandt”. Een dag later beschuldigde  hij Clermont ervan dat hij gewapend met een stok aanwezig zou zijn geweest bij de overval op “ boer à Campo aen’t nieuw huijs achter Schimmert gelegen”! Waarschijnlijk was Steijnen op dat ogenblik al “ver weg” ten gevolge van de brutale tortuur, want deze overval heeft nooit plaats gevonden. Hij noemde de naam van Clermont, die hij zeer zeker kende, om van de martelstoel af te kunnen komen. Peter Clermont werd op  13 en 20  oktober in Valkenburg aan een scherp examen onderworpen. Het eerste scherpe verhoor werd door de aanwezige gerechtsarts afgebroken omdat er gevaar dreigde voor het leven van Clermont. De beklaagde moest eerst herstellen van zijn verhoor voordat hij opnieuw onder handen genomen kon worden. De tweede martelsessie vond plaats op de 20ste oktober. De “Heer Lands doctor” achtte het nu gerechtvaardigd om Clermont, wiens lichaam verzwaard  was met een gewicht van 25 pond, aan de stroppade (wipgalg) op te hangen. De arts haalde hem echter na een paar uur “weegens overkoomende flauwtens” van de stroppade af en schortte het verhoor op! Clermont overleed op dertien november aan de gevolgen van de misdadige “behandeling”  van de scherprechter die in opdracht van het Hollandse bestuur gebeurd was. 

Hollandse rechtbank vonnist lijk!! 

Twee dagen later kwam het gerecht op het Landshuis te Valkenburg bij elkaar om het vonnis uit te spreken tegen “het cadaver van Pieter Clermont leggende hier op het Lants huijsen”. Ze concludeerden dat Peter “menigvuldige”malen beschuldigd was door gedetineerden uit het Land van Valkenburg, maar ook door complicen uit Geulle en Elsloo. Kortom genoeg bewijs om zelfs een dode nog te veroordelen!! Trouwens Clermont had zelf toegegeven dat hij vruchten op het “open velt” had gestolen. De rechtbank riep de vilder van het Landshuis op om het lijk van Clermont op te halen en zijn lichaam op een kar naar Beek te vervoeren waar het op de executieplek van Beek “onder de aerde gedolven moest worden”. De gestorvene werd eveneens veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. Zijn goederen werden door de rechtbank “executabel verklaard”! Dit vonnis werd op de pui van het Landshuis in aanwezigheid van de vier schepenen en burgemeester Bousch aan het volk kenbaar gemaakt. Het dode lichaam van Clermont lag tijdens deze “ceremonie” bewaakt door 24 schutten reeds op de kar van de vilder. De opbrengst van de executoriale verkoop bracht niets op. De rechtbank had kunnen weten dat de man niets bezat. Maar toch, als er een stuiver uit een arme burger te halen was, dan deden ze dat  met alle plezier De Landsdokter van de Staatse Partage van het Land van Valkenburg, Vrijthof,  zou enigszins verlaat in juni 1775 een rekening indienen  betreffende zijn behandelingen van Clermont. Hij telde een bedrag van 20 gulden voor zijn reizen van Maastricht naar Valkenburg, acht gulden voor twee visites, vier gulden voor het berichten van het overlijden van Clermont aan het “Hoog Officie”, en twaalf gulden voor de huur van een rijtuig. Er waren altijd al mensen die verdienden aan de ellende van anderen! 

Bastiaan Boosten 

Een van de eersten die we tegenkomen is de smid Boosten die in 1758 trouwde met Margareta Vrusch uit Beek, een zus van de bendeleden Joannes en Christiaen uit Beek. Boosten werd door een paar gevangen zittende delinquenten beschuldigd van lidmaatschap van de bende. Zo vertelde Dirk Hersseler op 26 juli 1773 aan het gerecht dat “eenen Smet (bovengeschr: M.R. Boosten) woonende tegensover waar de heer Gobbele gewoont heeft in de Straet als men van de Plaets na Lambermont gaet”, aan verscheidene diefstallen schuldig zou zijn”. Helaas bleef het daar niet bij, want op 15 en 16 september 1773 meldde Mathijs Smeets uit Beek dat een zekere “Bastiaen Boostens een jaar geleden bij de schepen Brugge tot Lummerich ( Limbricht) als complice geassisteerdt had bij een inbraak”! 

De Elsloose tam-tam deed haar werk, waardoor Boosten op de een of andere wijze vernam dat bendeleden hem beschuldigd hadden. Het was alsof hij de grond onder zijn voeten voelde wegzakken. Waar moest hij heen? Toen de rechtbank op 14 november 1774 het vonnis tegen hem uitsprak, was hij er lang vandoor. “Beclaegde Bastiaan Boosten werd voor altoos uijt deze vrij Heerlijcheid en vrij Baronie verbannen, met interdictie van noijt in dezelve te moogen verschijnen, op pœne van daarinne bevonden wordende, zwaarder te worden gestarft, met condemnatie van denzelven in de Costen en misen van justitie ter onzer Taxatie en moderatie met Confiscatie van goederen.
Actum op den ouden Stadhuijze binnen Maestricht nae becomene territorium
Den 14. november 1774” 

Het vonnis werd drie dagen later nog eens in het openbaar aan de Kaak van Elsloo voor ieder die het wilde horen voorgelezen. Daar bleef het niet bij, want op 3 februari 1775 werd er bij verstek eveneens en nogmaals vonnis gesproken tegen Bastiaan Boosten, nu in Valkenburg. Luitenant-drossaard W.Vignon trad in deze zaak op als openbaar aanklager. Voor hem wat het duidelijk dat “den beclaegden Bastiaen Boosten een Litmaet is der berugde en godloose bende gaudieven, knevelaers en boosdoenders welke sedert eenige jaeren het Lant geinfecteert en welkers pligtigen thans soo hier als in de nabuurigen Landen ter straffe getrocken geworden, en tot alwelke bende den beclaegden hem heefd ingelijfd en verbonden”. 

De “slotmaeker” kreeg het nog eens voor zijn kiezen. Boosten had volgens deze functionaris “geassisteert en gecoopereert aen en bij  seventhien violente huijsbraeken, Diefstallen en knevelarieen, alle in actis gespecificeert en gedetailleert. Van welke diefstallen den beclaegden sijn aendeel genoten en geprofiteert heeft”. Dergelijke gruwelijke feiten en enorme delicten konden volgens hem in een land van politie en justitie niet worden getolereerd, maar behoorden tot afschrikking van iedereen bestraft te worden. 

Boosten werd vervolgens door het Hooggerecht van de Stad en Vrijheid Valkenburg mede uit naam van de Hoogmogende Heren van de Staten –Generaal van de Verenigde Nederlanden voor eeuwig uit de Drie Landen van Overmaaze, Partage van Haar Hoogmogende, alsmede uit het gebied van de Generaliteitslanden verbannen. Mocht Boosten de euvele moed hebben om tegen deze zware straf te zondigen, dan zou de rechtbank naar bevinden handelen, lees de doodstraf hanteren. 

Het vonnis werd “naar voorgaende klokkeslag van de puije van’t Lands huijs binnen Valkenborg ten overstaan van de Heren van den Geregte gepronuntieerd op den 16 Februarij 1775”. Uit de administratie van de rentmeester van De Landen van Overmaaze blijkt dat de bezittingen van Boosten bij gedwongen verkoop niets opleverden. Weer was een arme drommel, een smid uit Catsop, geslachtofferd door een nepotistische elite. 

 

De overval bij Walraeven aan de Maesbandt uit 1756 

Aanwezig waren o.a. Johannes La Haije, haemmaeker uit Gen Hout, en Joannes Curvers uit Beek die “corver van zijn ambagt “ was. 

Als het aan Lins bekend zijnde bendelid Dirck Hersseler op 26 juli 1773 verhoord wordt, komen we nog meer door bendeleden uitgeoefende beroepen tegen. Zo was er Machiel, een wever uit Beek, die daarnaast handelde in beesten en tamelijk groot en gezet van postuur was, ’t Fijnwerck uit Beek die tapper en korvenmaker was, de wever Helmus uit Neerbeek, Erkens uit Beek die brandewijn zou maken, Scheeren Tijs uit Neerbeek, die snijder is van beroep, maar meer houdt van jagen, en ook nog tapper is in zijn dorp, Peterke, een haemmaeker uit Klein Genhout die een vrouw uit Rekem zou hebben, Geerke een slager uit Puth, en Claes la Molte, een landbouwer uit Stein. Tijdens een eerder verhoor in juni had Dirck nog meer mannen genoemd, waarvan hij van een aantal het beroep kende.

 

Land van Valkenburg

Op 20 april 1773 begon men hier met de terechtstellingen. In Heerlen werden 38 Bokkerijders ter dood gebracht, 20 werden verbannen en drie werden vrijgesproken. In Beek werden tot en met 26 mei 1774 22 Bokkerijders geëxecuteerd. Omdat er in bijna ieder dorp Bokkerijders zaten kostte het te veel geld om de ter dood veroordeelden, die in ‘den Landhuyse’ te Valkenburg opgesloten zaten, naar de gerechtplaatsen van de banken te vervoeren, waar zij woonden. De hoofdofficieren en de rechters namen derhalve een resolutie aan om voortaan gearresteerde Bokkerijders op een gemeenschappelijke plaats te executeren. Vanaf die tijd werden daarom alle Bokkerijders uit het Land van Valkenburg op de Lommelenberg terechtgesteld. Dat waren Bokkerijders uit Beek, Valkenburg, De Heeck, Klimmen, Schimmert, Houthem, Meerssen, Hulsberg, Haasdal, Aalbeek en Walem. De hoofdbank Heerlen was niet bij deze resolutie betrokken. De Heerlense Bokkerijders werden weliswaar in Valkenburg veroordeeld, maar hun vonnissen werden in Heerlen voltrokken.

 

  Home.png - 11,00 kB